disclaimer: Onderstaand artikel is geschreven in opdracht van en onder exclusieve aansprakelijkheid van Michiel Koning te Dordrecht. Bronvermelding is hier achterwege gelaten, auteursclaims kunnen via deze website worden ingebracht en zullen alsdan tenspoedigste worden verwerkt in de tekst. Het verhaalt over zijn ervaringen als huizenbelegger met het gemeentebestuur, de bank, de krakersbeweging en de rechterlijke macht, die in samenspel hem van zijn imperium hebben beroofd..
Aan de inhoud, updating en samenhang van dit artikel wordt nog gewerkt.
EEN BURGER-KONING TEN VAL GEBRACHT DOOR EEN SAMENSPANNING VAN DE BANKIER, DE RECHTER, HET GEMEENTEBESTUUR EN DE JEUGD.
Dit drama speelt zich af in Nederland, in het bijzonder te Dordrecht in de jaren 1978-2008.
Inleiding
De Heer Michiel Koning groeit op in Dordrecht. Deze stad belichaamt het begin van de Staat der Nederlanden en het verzet tegen de absolute staatsmacht, d.m.v. de Unie van Dordrecht . Het was het begin van een grondwettelijk veranderingsproces, dat doelde op een steeds grotere bevrijding van de burger uit de tentakels van de staatsmacht.
Gaandeweg echter, heeft de staat veel gestipuleerde burgerrechten wederom teruggenomen.. Maar ernstiger is, dat de bankiers de macht kregen over de staatsmacht d.m.v. geldschepping en kredietverlening tegen rente aan de overheid. De rechterlijke macht, bedoeld om de wetgevende macht en de uitvoerende macht in evenwicht te houden, verwerd met invoering van de desbetreffende bankwetgeving, waarvolgens de bankiers zonder politieke contrôle het monopolie op de geldschepping in handen kregen, tot spreekbuis van de bankiers.
Op locaal niveau wist de Gemeente Dordrecht in de zeventiger jaren huiseigenaar Koning van zijn onroerend goed ter waarde van tientallen miljoenen guldens te beroven door een geraffineerd samenspel met de bank en de kraakbeweging, tevens door misbruik van publieke wetgeving.. De rechter werd ingeroepen om alle malversaties van de krakers, Gemeente en bank te legitimeren en te autoriseren. De enige ooit Koning toegewezen vordering betrof een gebruikersvergoeding ad HFL 3787, 00.
Ter verduidelijking van dit drama zal in het kort enige markante ijkpunten van onze constitutionele geschiedenis worden geschetst en van de ontstaansgeschiedenis van het bankwezen.. Alsdan zal op microniveau van Dordrecht belicht worden hoe deze maatschappelijke krachten de moeizaam vergaarde eigendom van de burger-koning afhandig maakten. Koning maakt vaak gewag van zijn afkeer van ‘de briefjesschrijvers’. Hiermede zijn niet alleen de ambtenaren, die zelf vrijwel altijd door de wetgeving zijn gevrijwaard van persoonlijke aansprakelijkheid, maar ook de huidige rechterlijke macht, de virtuele kredietverleners en de daarvan afhankelijke hersenspoelende massamedia bedoeld.
Ter lering ende vermaak.
De ontstaansgeschiedenis van de rechtstaat.
Sedert de twaalfde eeuw zette een hiërarchisering van de heerschappijverhoudingen in : Het ontstaan van de ambtenarij, de toeëigening van de ‘regalia’, de ook voor de clerus en de adel geldende en sterk toegenomen belastingplicht, het ontstaan van een centraal overheidsapparaat met bureau’s voor verschillende bestuurstaken, zoals de kanselarij, financiën, rechtspraak en tenslotte de aanspraak op monopolie van geweld door de staat en de actieve wil om niet alleen te heersen maar ook over onderdanen te regeren middels dwingend recht. Een en ander kreeg zijn beslag in de Magna Charta, welke de Engelse Jan Zonderland met zijn vazallen sloot in 1215. Maar in de Nederlanden zien we een voldoende krachtig georganiseerde,mercantiel gefundeerde tegenmacht vormen.
Zoals gezegd werd juist te Dordrecht voor het eerst het almachtig gezag van de vorst, in casu de Spaanse koning betwist. Van 3 maart tot 14 juli 1575 onderhandelden te Breda de Staten-Generaal met het Spaans Gezag. Als garantie van de veiligheid van onze onderhandelaars werden de Spaanse edellieden Mendoza en Mondragon te Dordrecht als gijzelaars vastgehouden gedurende deze onderhandelingen. Er kon geen overeenkomst worden bereikt over godsdienstvrijheid en daarop hebben de desbetreffende Staten op 4 juni 1575 in deze zaal van het toenmalige ‘Augustinus’ klooster, bekend geworden onder de naam de Unie van Dordrecht ‘Het Verbonde tussen de Staten van Hollant en Zeelandt onder den Gouvernemente ende Gehoorzaamheydt van de Prince van Oranje’ getekend. Dit werd in 1579 bij de Unie van Utrecht bijgetreden door de Staten van Utrecht Gelderland en Groningen, hetwelk in 1581 zou uitmonden tot de ‘Plakkaate van Verlatinge’ , welke als eerste grondwet ter wereld kan worden beschouwd, waarblijkens de absolute executieve macht van de koning en zijn leenheren werd gebroken.
De Franse Revolutie van 1789 met zijn ‘Déclaration des Droits de l’homme et du Citoyen’noopte tot een fundamenteel andere opbouw van de staat. Op 1 mei 1798 treedt de ‘Staatsregeling voor het Bataafsche Volk’ in werking. Onder ‘Algemeene Beginselen artikel 1 staat gestipuleerd, dat ’Het oogmerk van een maatschappelijke vereniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaving van verstand en zeden.’ En in artikel 6: ‘Alle pligten van den Mensch in maatschappij hebben hun grondslag in deze heilige wet: “Doe een ander niet, hetgeen gij niet wenscht dat aan U geschiede. – Doe aan anderen, te allen tijde, zoo veel goeds, als gij in gelijke omstandigheden, van hun zoudt wenschen te ontvangen’.
Artikel 34: ‘Niemand kan, tegen zijn wil, worden afgetrokken van den Regter, dien de Staatsregeling, of de Wet, hem toekent.’
Artikel 40: ‘ Niemand kan van het geringst gedeelte van zijn Eigendom, buiten zijn toestemming, beroofd worden, dan alleen, wanneer de openbaare noodzakelijkheid, door de Vertegenwoordigende Macht erkend, zulks vordert, en alleenlijk op voorwaarde eener billijke schaêvergoeding.’
Artikel 42: ’Ieder Burger heeft het onvervreemdbaar regt, om een …aanklacht te doen tegen zoodanige zijner Medeburgers, hetzij Ambtelozen hetzij Ambtenaren, Geconstitueerde Magten, of bijzondere Leden van dien, door welke hij oordeelt dat de Wetten, hetzij ten zijnen bijzondre nadeele, of ten nadeele van de maatschappij geschonden zijn, mids bij zoodanige Magt als in deze bevoegd zal zijn en op de wijze door de Burgelijke Wet voorgeschreven….
Op 29 april 1805 treedt de ‘Staatsregeling des Bataafsschen Volk’ in werking:
Artikel 69: ‘ De Regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door Regters, ingevolge de Staatsregeling aangesteld. Geen Politieke Magt oefent eenigen invloed op de Regterlijke macht uit.’
Artikel 80: ‘Het Nationaal Geregtshof neemt kennis van en oordeelt over alle misdrijven door de Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden en de Hooge Ambtenaren van Staat begaan.
De Leden der Vergadering van Hun Hoog Mogenden ende Hoog Ambtenaren van Staat zullen te allen tijde voor het gemelde Geregtshof te regt staan wegens misdrijven, welke met betrekking tot de waarneming hunner functie aan hun worden ten laste gelegd….’
Op 7 augustus 1806 treedt ‘de Constitutie voor het Koninkrijk Holland’ in werking.
Op 30 maart 1814 treedt de ‘Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden’in werking. Er vindt een verdere concentratie van de staatsmacht plaats.
Op 24 augustus 1815 treedt de ‘Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden’ in werking.
Begroting wordt vastgesteld per wet en overtredingen in het algemeen strafbaar per..Algemene Maatregel van Bestuur.
Met wijzigingen in 1848, 1922, 1938.:artikel 160: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruitspruitende rechten, over schuldvordering en andere burgerlijke rechten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de rechterlijke macht’; 1946 en 1953.
De conclusie is, dat van de oorspronkelijk te Dordrecht op de overheid bevochten burgerlijke vrijheden nog maar weinig daadwerkelijk kunnen worden genoten. Van een onafhankelijke door en voor de burgers gevormd gezag is geen sprake meer, omdat het volkomen afhankelijk geworden is van de bestuursgremiën en de rechterlijke macht, welke beide in de wurggreep van het bankwezen zijn gekomen. .
De geschiedenis van de rechterlijke macht
Hier begint de duistere weg van het in Nederland nooit goed onafhankelijk opgezette administratieve recht. In 1879 wordt door het Meerenbergarrest de AmvB onverbindend verklaard als die niet stoelt op een wet. Maar verdere interpretatie en toepassing van administratief recht wordt hier te lande i.t.t. alle omringende landen nooit principieel aan een onafhankelijke administratieve rechter gelaten. Pas in de zeventiger jaren van de vorige eeuw wordt onder Europese druk een afdeling van een adviescollege van de Kroon als zodanig verzelfstandigd, zonder evenwel bijbehorende procesrecht en worden ook speciale Raden van Beroep op deelterreinen ingesteld, in de praktijk slechts functionerend als een soort tuchtrechtspraak. Wel komen nog wijzigingen in 1848, 1922, 1938.:artikel 160: ‘Alle twistgedingen over eigendom of daaruit voortspruitende rechten, over schuldvordering en andere burgerlijke rechten behoren bij uitsluiting tot de kennisneming van de rechterlijke macht’; 1946 en 1953.
We zien een enorme ontwikkeling van aanvullend naar dwingend recht, van privaatrecht naar publiekrecht, de overheid bemoeit zich hoe langer hoe meer met details, terwijl de rechtsbescherming van de burger t.o.v. de Staat steeds meer erodeert. Het wordt maar aan de civiele rechter zelf overgelaten te beoordelen of hij bevoegd is, er is geen ‘Tribunaal des Conflits’naar Frans voorbeeld. De Staat kan in toenemende mate alleen administratiefrechtelijk slechts op rechtmatigheid worden getoetst en niet ter verantwoording van zijn beleid worden geroepen, maar juist die Raad van State-procedure wordt veelal afgestopt doordat eerst langs de President van de Haagsche Rechtbank moet worden gelaveerd, een notoire waakhond van de Staatsmacht.
Herhaalde zei de conclusie is, dat van de oorspronkelijk te Dordrecht op de overheid bevochten burgerlijke vrijheden nog maar weinig daadwerkelijk kunnen worden genoten. Van een onafhankelijke door en voor de burgers gevormd gezag met eerbied voor eigendom en privésfeer is geen sprake meer, omdat het volkomen afhankelijk geworden is van de bestuursgremiën en de rechterlijke macht, welke beide ook nog eens in de wurggreep van het bankwezen zijn gekomen. .
De geschiedenis van het bankwezen.
Al 6000 jaar v Chr. Was er al sprake van geldhandelaren bij de Igibibank in het oude Babylon. Twee eeuwen voor Christus had Julius Caesar in het Romeinse Rijk het alleenrecht opgeëist voor de Staat om geld in omloop te brengen; hij voerde daarop een ruime monetaire politiek ten detrimente van de geldhandelaren, die uiteindelijk op hem een moord hebben beraamd. De enige keer, dat Jezus zelf geweld gebruikte, was toen hij de geldhandelaren uit de tempel dreef. Joden konden in die tijd alleen met de shekel de tempelbelasting betalen, omdat het de enige zuiver zilveren munt was zonder keizerlijk embleem. Maar de munt werd door de geldhandelaren uit de vrije omloop gehaald en tegen een veel hogere prijs dan de intrinsieke waarde verkocht. Rond het jaar 1000 hadden de goudsmeden, die tegen betaling goudstukken en gouden munten van handelaren in bewaring hielden ( de zgn. ijzeren voorraad) ontdekt, dat zij wel tien maal zoveel ontvangstbewijzen konden uitgeven dan wat zij aan goud aanhielden. Zo ontstond geldschepping in particuliere handen. Later zou de kerk behoudens een geringe vergoeding voor risicodragend kapitaal en verlies aan de mogelijkheid van alternatieve besteding elke rente op leningen verbieden en als woeker veroordelen.
De goudsmeden en geldhandelaren kwamen er in de latere middeleeuwen al achter, dat zij de economische activiteiten konden aanjagen met ruime kredietverlening. Door nu in een volgende periode de kredietverstrekking plotseling te beperken konden ze faillissementen uitlokken en zo reële economische waarden in handen krijgen. Dit gebeurt thans nog en wordt als natuurverschijnsel gebracht: de business circle.
In 1180 kwam de Engelse koning Hendrik de Eerste in verzet en bedacht als betaalmiddel de ‘talley stick’. Dit was een gepolijste stok met inkepingen die bepaalde waarden aanduidden en welke overlangs in tweeën werd gespleten. De koning behield de ene helft om vervalsing te bestrijden en de andere helft werd alom als algemeen betaalmiddel aanvaard, omdat de koning zei, dat daarmee de belasting kon worden betaald. Let wel, het ging hier dus om een niet rentedragend door de overheid ter beschikking gesteld betaalmiddel, dat de goudsmeders en geldhandelaren volkomen buiten spel zette. De koning vergrootte het aantal talley sticks niet en er was dus geen inflatie mogelijk.
Maar rond 1500 verslapte de decadente koning Hendrik de Achtste de anti-woeker-wetten en de geldhandelaren roken hun kans. Koniging Elisabeth de Eerste probeerde nog het tij te keren door uit de Schatkist zelf gouden en zilveren muntstukken in omloop te brengen, maar Cromwell, een trawant van de inmiddels internationaal opererende bankiers liet koning Charles vermoorden en de bankiers stortten Engeland gedurende 50 jaar in kostbare oorlogen, waardoor de Schatkist zwaar in de schulden kwam. Hier constateren we derhalve reeds een duurzaam gebleken verband tussen de geldschepping door banken en de daarvoor benodigde verschulding van de Staat aan die bankwereld, die bij de beëindiging van de business circle de Staat aanspoort tot het voeren van oorlogen. Thans de NATO in Afghanistan enz.
In 1688 zweerden de Engelse en Hollandse bankiers samen en bekostigden de invasie door Willem van Oranje, die de koninklijke familie der Stuarts, laatste bastion tegen de particuliere geldschepping, ombracht en zelf koning van Engeland werd. In 1694 werd de Bank of England opgericht. Let wel , een particulier initiatief van anoniem gebleven initiators.
Deze kon zomaar enige keren meer aandelen uitgeven om te kunne opstarten dan de verondersteld maar niet bewezen reserves in harde waarden, zoals goud en zilver.
De Staat mocht nu onbeperkt lenen, mits dat bedrag werd opgebracht door inmiddels wettelijk verplichte inkomstenbelasting!!
De oprichters hadden dus een volkomen risicoloze investering gedaan zonder noemenswaardig inlegkapitaal. Het was een gelegaliseerde vervalsing van de nationale munt voor particulier gewin, alsof men het nationale leger laat runnen door de mafia.
Let wel, de mafia is opgekomen in een tijd, dat de bevolking haar basale behoeftenbevrediging niet meer kan realiseren (hebzucht), terwijl de activiteiten van de overheden en ermede vervlochten banken op roofzucht stoelen, namelijk de afroming van de vruchten van de productieve arbeid door de bevolking, dat de bevolking in reëel geld betaalt,
Dit in tegenstelling tot het nepgeld, dat de banken en de overheid scheppen.
De Staat betaalt zijn lening aan de bank met staatsobligaties, gedekt door zijn goud- en zilvervoorraad, alsmede gedekt door zijn land en grondstoffen en natuurlijk de inkomstenbelasting. Maar die staatsobligaties worden door de banken gebruikt als dekking van maar 10% van zijn geldschepping d.m.v. kredietverschaffing aan de burger. Door dus op elke munt 9 x meer geld te scheppen, vergroten de banken de geldhoeveelheid waarvoor geen produkten of diensten zijn geleverd en veroorzaakt zo een gigantische inflatie, dus geldontwaarding.
We vieren nu zo ongeveer een jubileum van 3000 jaar inflatie. Deze is eigenlijk een belasting voor zaken , waarvan de overheid niet durft openlijk zelf belasting te heffen, zoals oorlogsvoering. Dus voor de duidelijkheid: Inflatie is bedrog en de enige die ervan profiteert is de overheid. Eerst heeft men randjes van de munten met intrinsieke waarde geveild. Om dat te voorkomen is erop later een randtekst gezet. Niet alleen werd de munt kleiner, men maakte hem ook van steeds minderwaardiger legeringen. In 274 werd nog keizer Aurelianus, die een nieuw munt in beperkte hoeveelheid invoerde, door de 40.000 muntslaanders, een beroepsgroep die van de inflatie leefde vermoord.
De Romeinse overheid is als eerste ter wereld begonnen op de munt een waarde in getal te drukken (nominale waarde), die steeds minder overeenkwam met de intrinsieke waarde. Tussen 450 v. Chr en 168 v. Chr verloor de munt de helft van zijn intrinsieke waarde en tenslotte van was er van de 327, 45 gram nog maar 4 gram koper over. Aurelianus opvolger kwam met het enige inflatiebestrijdingsmiddel op de proppen, waarvoor in de 1725 jaar nadien niest beters is bedacht: een algemene prijs- en loonstop. Daarvan is dan wel het ontstaan van een zwarte markt het gevolg en ook zien we een zeer rijke internationaal opererende plutocratie ontstaan.
Pas Constantijn de Grote wist in 324 een blijvende munthervorming door te voeren met zijn ‘solidus’van 4, 55 gram goud, die in heel Europa de standaard munt werd., maar de Merovinger koningen verminderden weer het goudgehalte. Graaf Floris V liet de ‘denarus’nog in Dordrecht slaan, waar nog het gebouw van de muntslag staat. Saillant detail: Valsmunters werden destijds in kokende olie gegooid, maar van deze maatregel waren wel de koningen en graven vrijgesteld!! Zo is het nu nog. De gewone burger wordt als misdadiger zwaar gestraft voor valsmunterij, maar de overheid gaat vrijuit, wanneer er sprake is van ‘onverklaarbare’inflatie. In Engeland nam 1694 en 1698 de geldhoeveelheid met 60 miljoen ponden toe en ja toen werden natuurlijk de belastingen verhoogd.
Maar de truc van inflatie is vooral, dat de effecten ervan pas met wat vertraging komen, nl. pas wanneer bij de volksmassa doordringt wat er is gebeurd. wat vertraging komen, nl. pas wanneer bij de volksmassa doordringt wat er is gebeurd. We zien alsdan derhalve een zich steeds meer ten koste van de massa’s verrijkende regerende elite ontstaan, een plutocratie.
Philips de Vrome wist heel goed zijn Tachtig-jarige oorlog door de intrinsieke waardevermindering van zijn ‘maravedi’te financieren en koning Friedrich van Pruisen was nog sluwer: Hij liet ook minderwaardiger munten slaan, maar die mochten alleen in het buitenland in omloop zijn!
.
Wanneer de vorsten geen munt meer konden versnijden, hebben de plutocraten menige oorlog uitgelokt om zo de overheden aan de bank te verschulden. Vaak ook worden beide oorlogspartijen gefinancierd, maakt niet uit wie wint, in ieder geval de private bankers, die immers beide partijen verschulden.
De belangrijkste oorzaak van de Amerikaanse revolutie was nu juist, omdat de private Bank of England niet kon dulden, dat Benjamin Franklin in de koloniën de ‘Colonial Scrip’uitgaf, dus als niet-rentedragend (debt money) staatsgeld. Daarop kon men immers geen rente trekken en men had ook de geldhoeveelheid niet in de hand. Er volgt een tweehonderd jaar durende strijd om het monopolie van de gelduitgave. In 1781 wordt de private ‘zogenaamde ‘Bank of North America’opgericht, maar de daardoor veroorzaakte inflatie brengt zijn sluiting mee in 1785.
In 1791 wordt weer een private ‘Bank of the United States’ opgericht met $ 200 miljoen staatsinleg, maar de andere geheime aandeelhouders betalen zelf niets, lenen zogenaamd van elkaar, het schandaal komt uit en in 1787 komt Jefferson met een hernieuwde federale grondwet, die ermee korte metten maakt. Maar tussen 1791 en 1796 moet de staat wegens oorlogshandelingen veel lenen, de bankiers veroorzaken een enorme inflatie en dan Jefferson exit.
Een jaar nadat Napoleon, die tegen een privatisering van de gelduitgifte was werd verslagen te Waterloo (1815) werd de tweede ‘Bank of the USA’opgericht.., door zo blijkt later o.m. de Rothschilds (rijk geworden door financiering van de legers van alle partijen tegen Napoleon en ook van Napoleon en speculatie met voorkennis van Napoleon’s nederlaag. Dan staat op de onverschrokken president Andrew Jackson, de man van the battle of New Orleans, die in 1828 de private uitgave van de nationale munt en de geldschepping verbood door deze Bank of the USA. Hij ontsloeg twee met de bank collaborerende ministers van financiën en werd in 1832 nog herkozen met de leus: ‘Jackson and no bank’. Hij zou de laatste president zijn, die de nationale schuld aan de bank in een keer afbetaalde. Namens de bank organiseerde Nichols Niddle nog een enorme inflatie, maar hij werd gearresteerd. Jackson schreeuwde:’I killed the Bank’, maar vergat de geldschepping door de andere banken te verbieden. Toch bleef de gelduitgifte nog 77 jaar in handen van de staat.
De burgeroorlog brak helemaal niet uit over het thema slavernij, maar doordat de Europese financiële kringen een verenigd Amerika vreesden, aldus Otto van Bismarck. Lincoln had in 1863 de zogeheten ‘green backs’, dus niet-rentedragende valuta.door de staat in omloop laten brengen.en wel $ 440 miljoen met zijn National Bank Act. Hij vermeerderde dit aantal niet. De staat had uitgiftemonopolie en de staatsobligaties dienden als onderpand van de biljetten uitgegeven door de banken. In 1868 was de ‘green back’door de oorlog al 63% van zijn waarde kwijt, want het dekkende goud moest als betaalmiddel naar het buitenland worden verscheept. Maar ook toen de Staat na de oorlogsjaren weer een begrotingsoverschot had, was er wel een probleem volgens econoom J.K. Galbraith: Ze kon de schulden niet aflossen
aan de bank, omdat anders de dekking van de in omloop gebrachte geldhoeveelheid niet kon worden gegeven!
Tussen 1866 en 1886 liep de geldhoeveelheid met 2/3 terug van 1,8 miljard tot o,4 miljard. Czaar Nicolas II wilde te hulp komen, want ook hij had een staatsbank ingesteld en kon alleen overwinnen als het internationale private bankwezen werd verslagen.
Het zou zo niet gaan: Zowel de Soviët-Unie als Hitler zijn van het internationaal private bankwezen afhankelijk geworden.. Volgens Gary Allen werden het nationaal-socialisme en het internationaal-socialisme door de bankiers gewoon gezien niet als welvaartverdelende ideologieën, maar als welvaart-consoliderende en vooral, -concentrerende en –controlerende stelsels.. Yeltsin zou nog klagen dat al de financiële steun die hij uit het westen kreeg onmiddellijk terugvloeiden naar de westerse banken als afbetalingen op de leningen aan de Soviët-Unie!
De beruchtste en spectaculairste inflatie was die in Duitsland, veroorzaakt door de na de Eerste Wereldoorlog afgedwongen herstelbetalingen: 132 miljard mark in jaarlijkse aflossingen van 2 miljard in goud of deviezen plus 26% van de Duitse export!. De Duitse Centrale bank moest buitenlandse valuta lenen en tenslotte was de dollar 4, 2 biljoen mark waard, die in 133 papierfabrieken werd gedrukt. Terwijl de gewone burger maar weer in suiker en zout betalingen zijn heil zocht, kocht een zekere Hugo Stinner met geleend geld allerlei fabrieken op, dat hij na een paar maanden met veel minder waardig papier kon afbetalen.
Onderwijl werd ook nog even de monetaire betekenis van het ruim voorradige zilver en de gouden standaard ingevoerd. (Thans is ook nog 2/3 van de goudvoorraad in handen van het IMF). De enige die buiten de klauwen van het internationale private bankwezen bleef was Mao Zidong, die zei dat de macht niet komt vanuit een bank, maar vanuit de loop van een geweer. Had hij Lincoln gelezen die zei:’ The money powers creep upon the nation in time of peace and conspire against it in times of adversity; It is more despotic than monarchy, more insolent than autocracy, more selfish than bureaucracy’?
Hoe ging het dan wel? In 1913 werd De Federal Reserve opgericht door de Rothschilds, de Morgans, Rockefellers, Warburgs en Kuhn-Loebs. Banker Baruch had President Wilson gebrainwashed en het wetsvoorstel welke de inkomstenbelasting, die dus dient om de bankiers zeker te stellen van terugbetaling van hun leningen aan de staat, werd slinks door het congres en de senaat geleid. Wilson betoont berouw in 1924:’Some of the biggest men in the USA in the field of commerce and manifacture are afraid of something. They know there is a power somewhere so organized, so subtle, so watchful, so interlocked, so complete, so pervasive, that they had better not speak above their breath when they speak in condemnation of it’. Velen waarschuwden vantevoren en nadien:
Lenin: ‘The car doesn’t drive in the desired direction, it moves as another force wishes’
(want de SU was afhankelijk van Feredal Reserve Bonds verhandeld via Chase Bank).
President Roosevelt, die alle banken sloot en privebezit van goud verbood sprak van een ‘invisible government’
Louis McFadden, presiding over the senate’s banking & finance cie sprak van een octopus, who:’ orchestrated the great depression orchestrated as a shock therapy’
Milton Friedman (Nobel-prijswinnaar): (paraphrasing Clemenceau)‘ Money is too serious a matter to be left in the few hands of central bankers’. Hij schreef verder:’Any system which gives so much power and so much discretion to a few men, so that mistakes-excusable or not-can have such far reaching effects, without the check of the body politic, is a bad system.
Charles A. Lindbergh revealed the planned business cycle: ‘They first cause high prices by lowering the rediscount rate to cause expansion of credit and to rise the stock market, then when business men are adjusted to these conditions they check prosperity in mid-career by arbitrarily raising the rate of interest.’
warned for the global aspirations of the banking system and
Sir Josiah Stamp stated :’Banking is conceived in iniquity and born in sin. Bankers own the earth. Take it away from them but leave them the power to create money and control credit. With a flick of the pen they’ll create enough money to buy it back. Take away this power from them and all fortunes, including mine will disappear, they ought to disappear for this world will be a better place to live in.’
Carool Guigley 1966: ‘The ultimate goal is to create a world wide system of financial control in private hands as to dominate the political system of each country in a feodal system by the central banks ‘.
Thomas Edison:’If it can issue a dollar bond, it can also issue a dollar bill, the only difference be that the bond let money brokers collect trice the amount of the bond plus 20% whereas thr currency pays nobody but to whom contribute directly in a useful way. Both are promises to pay, but one fattens the usurers while the other helps the people.’
In 1936 was Fort Knox klaar en zodra het was gevuld met goud tegen 25 ct/ounce werd de goudprijs vastgesteld op 35 ct/ounce. Het goud werd via de Rockefellers verpatst aan Europeanen, die het later met 25 x de aankoopprijs weer terugverkochten, wat toen nog aan Amerikanen was verboden. Fort Knox is nu zo zei Nixon leeg, in ieder geval verklaarde Reagan dat de Amerikaanse Staat geen goud bezit, alleen de Fed, maar die heeft sedert Eisenhower geen audit op Fort Knox toegestaan. Volgens sommigen zou de Engelse ex-geheime agent Fleming zijn film ‘Goldfinger’als waarschuwing hebben bedoeld. In 1936 werd trouwens al eens de gouden standaard losgelaten,dus toen al het goedkoop opgehaalde goud , 70 % van de wereld voorraad was verpatst. Tijdens de Tweede Wereld oorlog is 30 x zoveel uitgegeven als tijdens de Eerste Wereldoorlog en 55% van alle door de gealliëerde kosten werden door de Amerikaanse belastingbetaler betaald. De Staatsschuld groeide in 5 jaar met 580 %, en in die orde van grootte ook de staatsschuld van de Europese landen. oorlog uitlokken en alle partijen financieren , het al oude middel van het internationale bankwezen om staatschulden te genereren.
Na de Tweede Wereld Oorlog werd de deviezen-goud-standaard ingevoerd te Bretton Woods , die bepaalde dat alleen nog de US-dollar tegen goud inwisselbaar was en wel alleen door de centrale banken en tegen een kunstmatig laag gehouden goudprijs, terwijl particulier bezit van baren goud werd verboden. Omdat de USA na de oorlog met zoveel geacht goud in Fort Knox grote delen van de Europese industrie konden opkopen en zelfs ‘ontwikkelingshulp’ geven, waren er veel dollars in omloop gebracht en begon de Amerikaan dus boven zijn (gouden ) stand(daard) te leven. Toen al. De andere centrale banken wantrouwden het, want ze hadden al 60 miljard dollar in kas en er was beweerdelijk nog maar 11 miljard dollar in het fort. De Franse President Charles de Gaulle liet scheepsladingen US-dollars overvaren in ruil voor goud, de goudprijs op de particuliere markt steeg, er dreigde een enorme dollar-inflatie,.
De gouden-deviezen standaard was een lachertje geworden, Amerika zou nooit meer al die dollars tegen (de marktwaarde van)goud kunnen wisselen en dus liet President Nixon in 1971 de koppeling goud-dollar varen. Er driegde een totale ineenstorting van het internationaal betalingsverkeer.
Dan komt de kredietenbrandweer het IMF met een symptoomoplossing: het papieren goud, de zgn. Speciale Trekkingsrechten: 118 landen verdeelden toen 35 miljard gulden, die uit de lucht werden ‘geschapen’. Het laat zien hoe ons geldstelsel volledig is verloederd. Onder ‘hoe werkt het huidige financiële systeem…’ hieronder zal het nader worden uitgelegd.
Nederlandse bankontwikkeling.
Het type huidige bank ontstaat in Europa pas in de 14de eeuw in handelssteden als Genua, Florence, Antwerpen en Brugge. .De eerste Nederlandse Bank wordt opgericht in 1609 als ‘De Wisselbank van Amsterdam’. Deze verstrekte leningen en kredieten aan de handel op Oost-Indië. Voor Jan met de pet kwam er veel later de ‘Vereniging tot Nut van het Algemeen’.
In Nederland was rond 1700 de gulden de belangrijkste munt, maar de Republiek der Zeven Provinciën kon geen nationale munt tot stand brengen, wel de Bataafse Rebupliek en in 1814, toen Napoleon was verslagen werd door koning Willem I de Nederlandse Bank opgericht met geld van particuliere geldschieters met monopolie van gelduitgifte, maar koning Willem I stelde het aantal bankbiljetten definitief vast. Vanaf 1863 moest 40% in goud en zilver zijn afgedekt. Naast de gelduitgifte, verleende de bank ook kredietverlening en was kassier van de staat. In 1948 kwam er een nieuwe bankwet, die het doel: waardebehoud van de gulden vastlegde en gaf de minister van financiën het laatste woord inzake het monetaire beleid. d.m.v. aanwijzingen.
Maar in 1998 met de nieuwe bankwet die de euro invoerde en het monetaire beleid aan de Europese Centrale Bank afstond, verloor de staat dat recht. De ECB zou zelf wel voor prijsstabiliteit zorgen. Wel kreeg de bank in 1952 met de Wet Toezicht kredietwezen een grotere controlerende taak op de banken en later ook op de beleggingsmaatschappijen. Het is louter een formeel recht, want het gesjoemel met de derivaten bleek door de ECB oncontroleerbaar.
De ECB wordt bestuurd door de presidenten van de centrale banken van de lidstaten en 6 bestuurders benoemd door de regeringsleiders. Maar ja, het internationale bankwezen heeft geld en er zal wel nooit een bestuurder worden benoemd tegen de zin in van het internationale bankwezen.
Hoe werkt het huidige financiële systeem en wat zijn de oplossingen?
De (centrale) banken kopen staatsobligaties, die gegarandeerd zijn door de inkomstenbelasting met virtueel geld (uit geldschepping). Dus er wordt zogenaamd geld uitgeleend aan de staat tegen rente. Die staatsobligaties kunnen dan door de centrale bank ook nog eens worden verkocht aan de banken ter vermeerdering van hun reserves. De banken kunnen dan van een staatsobligaties van zeg 10 euro als basis via geldschepping 90 euro krediet uitzetten tegen interest. Deze geldschepping is de belangrijkste oorzaak van inflatie. Immers die 90 euro nieuw geld aan kredietverlening ‘bestaat’ zonder dat daarvoor productie of diensten zijn geleverd.
De banken zijn ook nog eens nieuwe financiële producten, derivaten, gaan bedenken, bijvoorbeeld aanspraken op de winst van verzekeringsmaatschappijen die bedrijfsobligaties afzekeren voor het geval zo’n bedrijf failliet gaat. Die risico’s zijn slecht in de schatten. Er staat tegenwoordig een triljoen dollar aan derivaten uit, die maar voor 50 biljard zijn afgezekerd, goed voor tien maal de totale waarde van de aarde.
De geldhoeveelheid is vanaf 1970 ongeveer met 40 % toegenomen terwijl de productie/dienstverlening maar met 4 % toenam. De Nederlandse economie bestond tot voor deze laatste crisis voor 23% al uit financiële waarden.
De liquiditeit van de banken wordt thans nog eens extra verhoiogd door de smerige praktijk al het chartaal geld zoveel mogelijk uit de markt te bannen ten gunste van giraal 'plastiek' geld. Bedenk daarbij dat niemand verplicht is wettelijke betaalkmiddelen te accepteren: De Aldi mag uw 100 euro-biljet weigeren en de marktkoopman uw centen en stuivers. MAAR DE NEDERLANDSE BANK WISSELT UW EUROBILJETTEN NIET IN VOOR 50 EURO BILJETTEN!!! U wordt vriendelijk verzocht dat chartaal geld bij uw bank te storten!!!!! Weer een lynchpraktijk tegen de eerbare burger.
Internationaal wordt de oude goudsmid truc ook evenzo vrolijk toegepast: De Centrale Wereldbank, dat zijn de IMF, de Wereldbank en de Bank for International Settlements, die samen een soort muntvereniging vormen, geeft middels het IMF zogenaamde Special Drawing Rights uit, die als internationaal betaalmiddel door de centrale banken worden gebruikt als dekkingsmiddel. Deze speciale trekkingsrechten zijn dus een kredietovereenkomst tussen de aangesloten landen, je mag als het ware even ‘rood’staan op je rekening bij de algemene kredietpot, afhankelijk van de omvang van je economie.
De deelnemende landen zijn verplicht om tot het dubbele van hun aangeboden sdr’s af te geven, maar alleen landen met sterke valuta mag erom worden gevraagd. Dit is een uiterst glibberige en waterige vervanging van de gouden standaard en is alleen gebaseerd op ‘vertrouwen’, wat vele financiële experts helemaal niet hebben in dit systeem. De gewone man begrijpt al helemaal niet meer, op welke waarde zijn geld berust. Het gaat hem toch duizelen, als we lezen, dat in één maand voor één land (USA) 428.500.000.000 US dollar in de banken die de vertrouwensimplosie hebben veroorzaakt wordt geïnjecteerd, het equivalent van 180.445 ton goud, dus verre boven de hoeveelheid aanwezig goud in de hele wereld.(www.federalreserve.gov/release/h41/current)
Ook het IMF papiergoud is dus uit lucht gemaakt, maar eraan zijn wel keiharde condities verbonden en kunnen door de meeste landen alleen worden opgebracht door hun nationale economieën te knevelen. Zo dwingt het IMF de banken van bepaalde landen 8% harde waarden als reserves aan te houden, hetgeen in het bijvoorbeeld de eurozone lang niet wordt gehaald. Er gaat tien maal zoveel geld ter afbetaling van die SDR naar de IMF als de ontwikkelingshulp . De IMF houdt dan ook nog eens thans 2/3 van de wereld goudvoorraad aan en kan dus de goudprijs manipuleren. De SDR worden deels door dat goud afgedekt. Door expansie en contractie van kredieten aan bepaalde landen, beheerst dit wereldbankstelsel de hele wereldeconomie, zonder enige politieke controle.
De door de Nobelprijswinnaar Milton Friedman heeft de volgende oplossing voorgesteld:
Schaf het schuld gebaseerde geldsysteem af:
De goudstandaard
In het boek van de econoom Murray N. Rothbard, ‘Wat heeft de overheid met ons geld gedaan?’ (Murray N. Rothbard Institute), wordt de goudstandaard voor de definitie van de waarde van een munteenheid geprezen. Toen de Amerikaanse economie nog onder de goudstandaard zat, vóór 1933, was de dollar gedefinieerd als de naam van 1/20 van een ounce goud. Het pond sterling werd niet echt gewisseld voor vijf dollar, maar was gedefinieerd als de naam voor ¼ van een ounce goud. Rothbard stelt dat op een zuivere vrije markt goud gewoon rechtstreeks uitgewisseld zou worden in gram, grein, kilogram of ounce, en zouden verwarrende namen als frank, gulden, dollar, mark, enz. overbodig zijn. Hierbij wordt door hem wel het probleem van een verstoring van die vrije markt als gevolg van een spectaculaire goudvondst ter zijde geschoven met een redenering dat veranderingen in de totale goudvoorraad zich altijd erg traag zullen voordoen. De jaarlijkse productie van nieuw goud zou tegenover de totale voorraad doorgaans behoorlijk klein zijn omdat geld niet wordt opgebruikt met de snelheid waarmee andere goederen op de markt opgebruikt worden. Geld wordt immers slechts als ruilmiddel gebruikt. De goudstandaard als basis voor een ‘harde’ (waardevaste) valuta lijkt mij echter allerminst onkwetsbaar en het is dan ook niet verwonderlijk dat op een gegeven moment in de Verenigde Staten het bezit van goudstaven voor burgers verboden was.
Hoe komt de monetaire eenheid tot stand? Rothbard stelt dat goud ‘net als andere goederen’ in gewichtseenheden wordt verhandeld. Maar in tegenstelling tot wat Rothbard hier suggereert worden andere goederen (en diensten) in onze geïndustrialiseerde maatschappij doorgaans niet verhandelt in gewichtseenheden. Goud ontleende zijn waarde als standaard aan het feit dat het gewicht van een stuk goud een onveranderlijk, ondubbelzinnig gedefinieerd en te meten getal is, onafhankelijk van de monetaire eenheid, dat op een overeengekomen wijze in monetaire eenheden kon worden uitgedrukt. Elke andere grootheid, die ondubbelzinnig gedefinieerd en niet snel veranderlijk, op elk moment een meetbaar of te berekenen getal oplevert, onafhankelijk van de monetaire eenheid, zou op een overeen te komen wijze in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt en daarmee een standaard, zij het een meestal niet geheel onveranderlijke standaard voor de monetaire eenheid kunnen vormen. En het te meten getal, laat staan het te berekenen getal, behoeft natuurlijk niet een door weging te meten hoeveelheid massa eenheden van een bepaalde, niet te verwarren stof te zijn. Rothbard noemt slechts andere metalen als zilver, en zelfs ijzer, als andere mogelijke keuzes voor een standaard. Hij wijst er wel op dat het misleidend en gevaarlijk is de goudstandaard te interpreteren als een definitie van de prijs van goud. Zoals hierboven al opgemerkt was omgekeerd vóór 1933 de dollar de naam van 1/20 van een ounce goud.
De waarde van geld voor de burger
In de uitdagende beschouwingen van Rothbard loop ik vast als ik in de samenvatting van zijn introductie van het begrip geld lees: ‘De “prijs” van geld is zijn koopkracht in termen van alle goederen en diensten in de economie, en die wordt bepaald door het aanbod en door de vraag naar geld van elk individu. Als er voldoende aanbod is om de vrije markt te laten functioneren (d.w.z. om de doorstroming van goederen en het aanbod van diensten mogelijk te maken), dan kan geen enkele toename van de hoeveelheid geld zijn monetaire functie verbeteren. Een toename van het geldaanbod zal dan enkel de effectiviteit van elke ounce geld/goud verminderen zonder de economie te helpen. Anders dan wat vele auteurs beweren is er niets speciaals aan geld waardoor het uitgebreide overheidsregulering nodig zou hebben. Ook hier zullen mensen het beste en het vlotste in al hun economische noden kunnen voorzien als zij vrij zijn.’
Mijn niet beantwoorde vraag is: Hoe komt in een vrije markt de verdeling van de geldvoorraad over de bevolking tot stand? Zonder deze vraag expliciet te stellen suggereert Rothbard dat er in een vrije markt bij de ontwikkeling van de economie vanzelf een verdeling van het door goud gedekte geld over de bevolking tot stand zal komen in overeenstemming met wat elk individu voor geld aan te bieden heeft. Hierbij gaat hij voorbij aan het onloochenbare feit dat voor een individu de mogelijkheid om iets voor geld aan te bieden in het algemeen maar zeer ten dele door hemzelf wordt bepaald. Tenslotte kent onze maatschappij werkgevers en werknemers. Wat in een autarkische (zichzelf bedruipende) dorpseconomie nog voorstelbaar is—de boer verkoopt voor geld de levensmiddelen aan de smid, die op zijn beurt voor geld landbouwwerktuigen aanbiedt--, dat is in de geïndustrialiseerde stadseconomieën voor een individu niet een reële bestaansmogelijkheid. Voor het begrip economie lezen we niet voor niets de definitie: ‘de wetenschap van de voortbrenging en verdeling van de schaarse goederen en diensten’. Naast de economische prikkel van ‘geld willen verdienen’ bij de voortbrenging van goederen en diensten is de wens bij de verdeling het ‘grootst mogelijke part’ in de wacht te slepen de verklaring voor het menselijk handelen. Dat zal ook de reden zijn waarom de economie tot de sociale wetenschappen wordt gerekend.
Bij zijn verdediging van de goudstandaard wijst Rothbard er wel op dat al het goud, dat in de samenleving aanwezig is, dan volledig in het bezit is van individuele mensen, en dus in de kasvoorraden van die mensen wordt bijgehouden. De totale som van kasvoorraden is altijd exact gelijk aan het totale geldaanbod in de samenleving en het bestaan van kasvoorraden is een absoluut noodzakelijke voorwaarde voor elke economie. Zonder kasvoorraden zijn er geen transacties mogelijk. De opslag van het goud in de kluis kan als taak van banken worden gezien, die daarvoor ontvangstbewijzen, ofwel bankbiljetten uitgeven aan hen die het goud in bewaring hebben gegeven. De ontwikkelingen op de geldmarkt onder invloed van overheden deden Rothbard de kreet slaken: “Wat heeft de overheid met ons geld gedaan?”
Voor transacties werd op een gegeven ogenblik niet meer het eigenlijke goud gebruikt, maar het substituut: bankbiljetten. Maar als er transacties plaats vinden tussen cliënten van verschillende banken, dan maakt dit het vervoer van goud van de ene bank naar de andere noodzakelijk om er voor te zorgen dat elk bankbiljet gedekt wordt door de overeenkomstige hoeveelheid goud bij de bank waarbij men zijn geldsubstituut kan inwisselen. Iemand, die met bankbiljetten betaalt, moet zijn bank inlichten, welke andere bank voor deze biljetten de bijbehorende gouddekking moet ontvangen.
Om dit omslachtige goudvervoer te voorkomen ligt het voor de hand de totale goudvoorraad in de kluis van een centrale bank op te slaan. Deze centrale bank moet dan bijhouden welk deel van de goudvoorraad tot het bezit van de cliënten van een bepaalde bank behoort en wordt dus van elke transactie met bankbiljetten door de betrokken banken op de hoogte gehouden. Dat het bankpersoneel voor de geleverde diensten een passende honorering van hun cliënten zullen vragen spreekt vanzelf en daarmee wordt de bank een legitieme onderneming. Het geldverkeer zou langs deze weg nog verder vereenvoudigd kunnen worden door niet meer met geldsubstituten als bankbiljetten (of munten) te werken, maar door cliënten nog uitsluitend met gecodeerde bankpasjes toegang te verlenen tot hun (goud)rekening bij de bank van hun keuze, waarbij transacties automatisch de rekeningen van de betrokken cliënten bij hun banken en van die banken bij de centrale bank elektronisch bijwerken. Rothbard gaat in zijn verdediging van de goudstandaard niet in op de wenselijkheid van een centrale bank voor de opslag van de totale, voor transacties beschikbare hoeveelheid goud. Een centrale bank komt bij hem slechts voor als een instrument van de overheid om de andere banken te kunnen manipuleren.
Rothbard gaat uitvoerig in op de vraag: zou fractioneel bankieren (geld, dat bij de bank lang ongebruikt in depot blijft liggen, voor eigen transacties, zeg beleggingen van de bank gebruiken) in een vrije markt onder de goudstandaard moeten worden toegelaten, of zou het worden verboden als fraude? Als een bank goud uit het depot van zijn cliënten uitleent, zijn de ontvangstbewijzen, de bankbiljetten, gedeeltelijk hun waarde kwijt. De bank wordt feitelijk insolvabel, aangezien ze onmogelijk de bezittingen van haar klanten kan teruggeven, als die dat allemaal tegelijkertijd zouden willen. Bij fractioneel bankieren drukken banken ongedekte of ‘pseudo’-ontvangstbewijzen voor goud dat er niet is en er niet kan zijn. Ze vergroten het effectieve geldaanbod van het land. Banken met fractionele reserves zijn volgens Rothbard inherent inflatoire instellingen, want inflatie wordt door hem gedefinieerd als elke toename in het geldaanbod van de economie, die niet bestaat uit een toename van de dekking (in het geval van de goudstandaard: van de hoeveelheid goud opgeslagen door de banken voor hun cliënten). Een bank neemt niet het gebruikelijke ondernemersrisico. Ze regelt het tijdspatroon van haar activa niet zo, dat ze ervoor zorgt dat ze genoeg geld heeft om op de afgesproken tijdstippen haar rekeningen te betalen, zoals alle andere ondernemers dat doen. In de plaats daarvan zouden de meeste van haar uitstaande schulden onmiddellijk uit te betalen moeten zijn, maar haar activa lopen op langere termijn. Kortom, de bank met fractionele reserves is al meteen en altijd failliet, maar haar faillissement wordt pas zichtbaar als klanten wantrouwig worden en een stormloop op de bank op gang brengen.
Nu is het verstrekken van leningen een levensbelangrijke functie in een vrije markt. In een krediettransactie ruilt de bezitter van geld dit geld om voor een schuldverklaring, te betalen op een bepaalde dag in de toekomst tegen een rentevoet die de hogere waardering van tegenwoordige ten opzichte van toekomstige goederen op de markt weerspiegelt. De bezitter van geld kan natuurlijk zijn bank opdragen leningen te verstrekken, beleggingen te regelen, waarbij hij zelf het risico voor die leningen draagt en het eventuele profijt ervan opstrijkt. De schuldenaar moet ervoor zorgen dat hij zijn schuld aan de bezitter van het geld betaalt wanneer de lening afloopt, omdat anders een faillissement volgt. De fractionele bankier daarentegen kan nooit meer dan een kleine fractie van zijn uitstaande schulden afbetalen, daar zij bestaan uit ongedekte ‘pseudo’-ontvangstbewijzen.
Al is deze beschouwing van Rothbard direct gekoppeld aan de goudstandaard voor geld, de door hem geschetste rol van banken verandert niet essentieel wanneer er voor een andere dekking van het geld wordt gekozen dan goud. Aan de vraag, hoe de verdeling van de geldhoeveelheid over de bevolking tot stand komt, voegen we hier de vraag toe, hoe de waarde van de euro, de dollar, enz. wordt gedekt, wanneer de goudstandaard wordt verlaten.
Een heel aparte rol spelen leningen voor de aankoop van onroerend goed, zeg: een woonhuis. Zo’n lening wordt verstrekt door een bank uit zijn vermogen of uit het bij deze bank in depot gehouden geld. Zo’n lening wordt aangeduid als een hypotheek, d.w.z. een notarieel vastgelegd zekerheidsrecht op een onroerende zaak, die regelt dat de onroerende zaak onder bepaalde voorwaarden dient als onderpand. Zolang de schuldenaar aan de voorwaarden kan blijven voldoen en de waarde van de onroerende zaak het risico van de bank voldoende blijft afdekken is er sprake van een reguliere lening, door de bank verstrekt in de vrije markt, zij het dat de bank zijn cliënten bij het aanspreken van het in depot gehouden geld ongevraagd laat meedelen in het risico dat de waarde van de onroerende zaak zou dalen en de verstrekte lening niet meer zou afdekken. Dan rest er nog slechts de hoop dat de schuldenaar aan zijn verplichtingen kan blijven voldoen om de hypotheekakte zijn waarde te laten behouden. Gestimuleerd door niet na te komen garanties van een ‘sociaal bewogen’ overheid hebben banken in de Verenigde Staten de eis van kredietwaardigheid van de hypotheekontvangers op grote schaal laten vallen. De aanvankelijk als een zeepbel gestegen waarde van het nu gemakkelijk te realiseren onroerend goed, waarop de hypotheken waren afgestemd, stortte in met als gevolg het waardeloos worden van de bijbehorende hypotheekaktes door onvoldoende kredietwaardigheid van de hypotheek ontvangers en het niet meer toerijkend zijn van het onroerend goed als onderpand. De hypotheekaktes, waarin door banken in de hele wereld levendig was gehandeld, bleken waardeloze geldpapieren met als gevolg de huidige kredietcrisis. Banken zagen reserves verdampen en vielen om, werden ‘genationaliseerd’ of door de overheid van nieuwe reserves voorzien ten laste van de staatsschuld.
De rol van de overheid
Bij de bespreking van de rol van de overheid gaat Rothbard uit van de klassieke, Europese opvatting van een overheid: een overheid, die zichzelf als opdrachtgever voor zijn burgers ziet. Dit verklaart hoe hij kan stellen dat overheden in tegenstelling tot andere organisaties hun inkomen niet als betaling voor hun diensten verwerven, maar door in een monetaire economie activa van burgers te onteigenen door het heffen van belasting. Dit geld wordt dan gebruikt om goederen en diensten voor de overheid te kopen, of als subsidie te geven aan begunstigde belangengroepen.
In een liberale democratie zijn idealiter de burgers echter de opdrachtgevers van de overheid. De overheid organiseert slechts de door die burgers gewenste diensten en subsidies, daartoe in staat gesteld door de hiervoor door die burgers gefiatteerde belastingheffing. Deze belastingheffing is in theorie onderworpen aan de besluitvorming in de hiervoor in het leven geroepen democratische organen. Helaas hebben in de democratieën van Europa de overheden zich ontwikkeld tot niet meer democratisch te beheersen gigantische, vertakte organisaties, die zich ten dele zelfs als zogenaamde zelfstandige bestuursorganen aan rechtstreekse democratische verantwoording onttrekken, hoewel zij uit de belastingen of door verplichte contributies worden gefinancierd. De voor een democratie essentiële periodieke verantwoordingsplicht in verkiezingen blijft beperkt tot populariteitswerving door enkele leidende politici, terwijl een regering slechts een weg kan proberen te vinden in het maatschappelijke proces, waaraan zij allang geen leiding meer kan geven. Hoewel de ten opzichte van Europese overheden relatief veel kleinere overheid in de Verenigde Staten wel de persoonlijke verantwoordingsplicht van bestuurders in de overheid in ere houdt met het stelsel van directe verkiezingen voor talloze overheidsfuncties, zijn ook daar door de druk op uitbreiding van overheidsdiensten de vooruitzichten op een dienstbare overheid niet gunstig.
Rothbard merkt op dat als de overheid manieren kan vinden om aan valsemunterij te doen—nieuw geld uit het niets creëren—dan kan ze snel haar eigen geld produceren zonder moeite te hoeven doen. Ze kan dan stiekem en bijna ongemerkt goederen vergaren, zonder de vijandige reacties die ze steeds krijgt op het heffen van belastingen. Valsemunterij is natuurlijk gewoon een andere naam voor inflatie: nieuw geld creëren zonder dekking. Het is voor een overheid een krachtig en verfijnd middel om goederen te vergaren, een pijnloze en des te gevaarlijker vorm van belasting. Waar de centrale bank niet onafhankelijk is van de politieke regering, zal zij door die regering worden gebruikt als instrument voor zulk monetair beleid.
De centrale bank in Frankfort (de ECB) heeft, evenals het Federal Reserve System (de FED) als centrale bank in de Verenigde Staten, de opdracht op onafhankelijke wijze de inflatie te bestrijden: lees het creëren van ongedekt geld tegen te gaan, zonder evenwel het fractioneel bankieren geheel te vermijden. Hoewel de bestuurders van de centrale bank wel door de politieke overheid worden benoemd, worden zij geacht, net als de rechterlijke macht, onafhankelijk volgens hun opdracht te functioneren.
In de Verenigde Staten dwingt de Federal Reserve Act de banken om een minimumverhouding van reserves ten opzichte van deposito’s aan te houden, en sinds 1917 mochten deze reserves enkel bestaan uit rekeningtegoeden bij de FED. Ten tijde van de goudstandaard moesten de goudreserves worden gedeponeerd bij de FED. De ECB beheert evenals de FED de totale geldvoorraad en beschikt over een liquiditeitspool (lees: voor leningen beschikbare reserves) voor de banken in de Eurozone.
Aangezien de kredietverlenende banken in principe bij de centrale bank moeten aankloppen voor ongedekte geld, zal deze centrale bank proberen met de rentevoet voor het aan die banken te verstrekken geld de vraag in toom te houden. Een lage rente is uitnodigend, een hoge rente remt de geldvraag voor het verstrekken van leningen voor investeringen af. Hoewel een lage rente dus investeringen mogelijk maakt, is het geenszins zeker dat de producten van deze investeringen te zijner tijd in een behoefte zullen voorzien, ofwel dat te zijner tijd er afnemers zullen zijn, die deze producten willen en kunnen betalen voor prijzen, die de verstrekte lening met de daarvoor te betalen rente op zijn minst zullen compenseren. Zo niet, dan zal het verstrekte ongedekte geld slechts hebben bijgedragen aan de geldontwaarding, zeg inflatie. Wordt er zonder nieuwe investeringen meer geproduceerd dan de vraag, dan zullen de prijzen van de goederen en diensten dalen. Geldkrapte leidt dan tot deflatie en werkloosheid.
De centrale bank kan inflatie stimuleren of deflatie voorkomen door reserves in het banksysteem te injecteren, en ook door de reservenorm te verlagen. Als de banken een reserve/deposito verhouding van 1:10 aanhouden, dan zullen ‘overtollige reserves’ (boven de minimum verhouding) van tien miljoen dollar een nationale bankinflatie van 100 miljoen toelaten. De centrale bank draagt bij aan de hoeveelheid bankreserves door activa te kopen op de markt (b.v. staatsobligaties). De centrale bank schrijft dan een cheque uit om voor het actief te betalen, maar omdat de centrale bank geen individuele rekeningen beheert zal het bedrag van de cheque worden bijgeschreven op een rekening bij een bank, die door de centrale bank met een vergroting van zijn reserve met het bedrag van de cheque wordt gehonoreerd, daarmee in staat wordt gesteld de kredietexpansie van de bank met een veelvoud van dat bedrag te doen toenemen.
Overheden zijn inherent inflatoir, hetzij door het vergroten van de geldhoeveelheid via een door de overheid gecontroleerde centrale bank, hetzij door het in omloop brengen van ongedekt geld door het vergroten van de staatsschuld door het uitgeven van staatsobligaties. De zogenaamde Zalm norm, die geen overschrijding van de in de rijksbegroting begrote bedragen toelaat en waarbij een begrotingsoverschot of meevallers worden gebruikt om de staatsschuld af te lossen, is in dit opzicht een anomalie in het beleid van overheden. In dictatoriaal bestuurde landen om de ambities van de heersers te bevredigen, in democratisch bestuurde landen onder druk van de, soms plotseling opkomende behoeften van de burgers zal de overheid artificieel geld willen creëren. In beide gevallen is er sprake van geldontwaarding door de overheid, onverenigbaar met een dekking volgens de goudstandaard, maar ook onverenigbaar met elke andere betrouwbare dekking.
Hoe behoudt geld zijn waarde?
Op het verlaten van de politiek onafhankelijke goudstandaard als dekking voor de waarde van de totale geldvoorraad van een land volgde een lange weg van vallen en opstaan voor het garanderen van de waarde van de voor handel onontbeerlijke monetaire eenheden, zoals de dollar, het pond sterling en de vele andere Europese eenheden. In de twintigste eeuw hebben overheden, wanneer ze met een grote vraag naar goud werden geconfronteerd, eenvoudigweg de goudstandaard verlaten in plaats van het geldaanbod te deflateren (lees: hun eigen munt meer waard te maken door geld uit de circulatie te nemen) of hun inflatie te beperken (lees: minder ongedekt geld in circulatie te brengen). Het verlaten van de goudstandaard garandeert natuurlijk dat de centrale bank nooit failliet kan gaan, aangezien haar biljetten nu het standaardgeld zijn. Er is een nieuwe geldsoort in het leven geroepen, onderworpen aan wat door Rothbard de door de overheid opgelegde ‘fiatstandaard’ wordt genoemd. En zoals goud en zilver op de vrije markt een wisselkoers zullen hebben, zo zal de markt ook wisselkoersen ontwikkelen voor al die verschillende monetaire eenheden, gebaseerd op landelijk gedefinieerde fiatstandaarden. Deze wisselkoersen zullen in overeenstemming zijn met de koopkrachtpariteit van de monetaire eenheden. Mits elk land er in slaagt met zijn monetaire eenheid een stabiel prijspeil voor zijn goederen en diensten te bereiken lijkt er niets aan de hand en kan de vrije handel het geldverkeer regelen. Maar een stabiel prijspeil in een land vereist een volwaardige dekking van de waarde van zijn monetaire eenheid. Dat betekent dat die waarde gerelateerd moet zijn aan een voor de welvaart van de bevolking karakteristiek, niet door de overheid te beinvloeden getal, nu niet meer het gewicht van een hoeveelheid goud, maar een niet aan snelle veranderingen onderhevige numerieke grootheid, die op elk moment te meten of te berekenen is.
In tegenstelling tot een goudstandaard heeft Milton Friedman voorgesteld de waarde van de landelijke geldvoorraad te beschermen door het totale bestand aan open bankrekeningen en het totaal uitgegeven bankpapier (en munten) in een land in een vaste verhouding tot het bruto nationaal product (BNP) te houden, zijnde het totale bij de belastingdienst opgegeven inkomen van de bevolking. Dit getal, deze verhouding, onafhankelijk van de monetaire eenheid (die er in de verhouding uitdeelt), zou kunnen fungeren als de standaard, waarin de waarde van de monetaire eenheid wordt uitgedrukt. Anders dan de goudstandaard zou deze dekking kunnen fluctueren met de grootte en de samenstelling van de bevolking, alsmede met de productiviteit van de economie van een land op wereldschaal. Stel dat deze dekking nu in de Verenigde Staten zou worden ingevoerd, dan zou de waarde van de dollar de naam kunnen worden voor de nieuwe standaard, de verhouding die door de centrale bank door beheersing van de geldvoorraad constant wordt gehouden, zoals het gewicht van 1/20 van een ounce goud uit zichzelf constant bleef. In tegenstelling tot de goudstandaard zal de bezitter van dollars bij zo’n abstracte standaard niet het beeld van een tastbaar goed als goud kunnen oproepen, iets waaraan volgens Rothbard het goud als standaard zijn bruikbaarheid voor de ruilhandel ontleent. Was dit bij fysieke goudstukken als geld ongetwijfeld het geval, toen het goud als dekking voor bankbiljetten in de kluizen verdween verviel dit argument voor de goudstandaard.
Wordt bovengenoemde verhouding als standaard genomen, dan mogen er bij een gelijkblijvend BNP niet meer dollars beschikbaar komen, zodat een toenemende bevolking zal verarmen als het BNP niet toeneemt en de prijzen niet afnemen door gelijkblijvende productiviteit. Bij een gelijkblijvende bevolking met een toename van het BNP zal de bevolking over meer geld kunnen beschikken. Of dat laatste ook meer welvaart zou betekenen is afhankelijk van de oorzaak van de stijging van het BNP. Is de oorzaak stijgende productiviteit, dan stijgt de koopkracht van de bevolking. Is er alleen maar sprake van loonstijging zonder productiviteitsverhoging, dan zullen de prijzen mee stijgen, hetgeen vermindering van de koopkracht van de dollar op de wereldmarkt betekent bij een gelijkblijvende koopkracht van de bevolking. Aangezien volgens Friedman lonen in een vrije markt van vraag en aanbod tot stand moeten komen wordt bij invoering van bovenstaande standaard, evenmin als bij de goudstandaard, niet geregeld hoe de totale geldhoeveelheid wordt verdeeld. Die totale geldhoeveelheid moet per jaar volgens Friedman echter zeker niet meer dan 3 à 5% toenemen om prijsinflatie te voorkomen. Deze percentages zullen dan wel zijn schatting van de maximum jaarlijkse verhoging van de productiviteit weergeven.
Dit is echter niet de huidige situatie. Het fiatgeld van de nationale centrale banken bleek als gevolg van het ontbreken van een gemeenschappelijke doorzichtige standaard onderhevig aan sterk fluctuerende wisselkoersen. In de EU werd voor de eurozone een vaste koppeling van de wisselkoersen omgezet in een gemeenschappelijke monetaire eenheid, de euro, waarbij de deelnemende lande de waardevastheid van het geld uit handen gaven zonder invoering van een doorzichtige standaard. De Amerikaanse inflatie van geld en prijzen heeft een neergang van de koers van de dollar en tekorten op de Amerikaanse betalingsbalans veroorzaakt. Rothbard merkt op dat op de lange termijn de harde valuta-landen niet zullen blijven toekijken hoe hun munt duurder wordt en hoe hun exporten lijden ten voordele van hun Amerikaanse concurrenten, terwijl in Amerika de goedkope exportgoederen zo snel door het buitenland worden opgekocht dat de prijzen van deze goederen thuis gaan stijgen. De Amerikaanse exporteurs maken misschien wel winst, maar enkel ten koste van de door inflatie overweldigde consument. Volgens Rothbard ligt de Friedmaniaanse droom van vlottend fiatgeld (zo heb ik Friedman echter niet begrepen) aan diggelen, en is er een begrijpelijk verlangen om terug te keren naar een internationaal ruilmiddel met vaste wisselkoersen.
Bij voorstellen voor zo’n internationaal ruilmiddel wordt de klassieke goudstandaard als oplossing genegeerd. Zeer ten onrechte, volgens Rothbard, die als ultiem doel van de meeste wereldleiders de oude Keynesiaanse visie van een universele fiatpapierstandaard signaleert. Een nieuwe munt, uit te geven door de Wereld ReserveBank (WRB), zou weliswaar een einde maken aan betalingsbalanscrisissen (aangezien de WRB naar believen geld kan scheppen en aan elk land naar keuze geld kan verstrekken), maar deze nieuwe munt zou de deur open zetten voor een ongelimiteerde wereldwijde inflatie, onbeperkt door betalingsbalanscrisissen of door wisselkoersdalingen. Elke koppeling met de productiviteit, de welvaart van de afzonderlijke landen ontbreekt, een euvel waar nu onze euro ook al onder lijdt. Volgens Rothbard zou er na de invoering van een wereld monetaire eenheid door een WRB niets meer in de weg staan van een catastrofale economische ramp van wereldwijde hyperinflatie, niets, dat wil zeggen niets anders dan de dubieuze vaardigheid van de WRB om de hele wereldeconomie nauwkeurig af te stellen. En er is geen enkele aanwijzing dat deze vaardigheid groter zou zijn dan de vaardigheid in het oplossen van problemen, die tot nu toe door de vele reeds bestaande wereldorganisaties is gedemonstreerd, d.w.z. zwaar onvoldoende.
Hoe komt er een verdeling van de totale geldhoeveelheid tot stand?
Hoe werkt de economie voor de gewone burger? Voor het in stand houden van zijn bestaan moet hij over voldoende geld beschikken om gebruik te kunnen maken van het aanbod van de producten van landbouw, visserij, industrie, om zich te voorzien van huisvesting en om zo nodig een beroep te kunnen doen op de bescherming van zijn leven en veiligheid in de gezondheidszorg.
Na het bespreken van de vraag naar de dekking van de waarde van de monetaire eenheid ligt er nog de vraag hoe de verdeling van de totale geldhoeveelheid over de bevolking tot stand komt. In een vrije markt komen de prijzen, die voor goederen en diensten moeten worden betaald, tot stand door vraag en aanbod (marktwerking).
Neemt de burger deel aan de productie van goederen of aan het verrichten van diensten voor de markt, dan zal het geld dat hij hiervoor ontvangt begrijpelijkerwijs afhangen van de schaarste van de hiervoor vereiste deskundigheid. Maar het loon of salaris zal ook in sterke mate af kunnen hangen van het al of niet kunnen beschikken over een sterke onderhandelingspositie. Die onderhandelingspositie kan zijn verkregen door een lidmaatschap van een vakbond, of zelfs door het sluiten van een CAO (collectieve arbeidsovereenkomst) door een vakbond waar hij niet eens lid van is, maar die wel de onderhandelingen voor hem voert. Zoals hierbij de schaarste van de vereiste deskundigheid niet bepalend hoeft te zijn voor de uitkomst van de onderhandelingen, zo wordt ook die schaarste van deskundigheid kunstmatig in het leven gehouden door het aanbod voor hogere functies te beperken tot personen, die deel uitmaken van netwerken, die door henzelf gesloten worden gehouden. Ook universitaire titels, ongeacht het zeer verschillende intelligentie niveau dat voor verschillende studierichtingen wordt vereist, vormen al een basis voor een netwerk, om van politieke netwerken maar niet te spreken. Net als vakbonden eisen deze netwerken voor zichzelf een geprivilegiëerde positie op in de arbeidsmarkt, waarin aan de leden van het netwerk ongeremd topinkomens worden toegekend. In crisissituaties blijkt dan maar al te vaak de deskundigheid tekort te schieten omdat het deel gaan uitmaken van het netwerk een ander soort begaafdheid vroeg.
Een deel van de behoeften van de burger zal bestaan uit producten, die hij wil gebruiken of consumeren. Hij wordt consument bij betaling van de prijs aan de verkoper, indien hij de aankopen niet weer opnieuw voor een prijs van de hand kan doen. Het object van aankoop, het product, is dan geconsumeerd en niet meer voor anderen beschikbaar. Voor het genereren van producten zijn grondstoffen en productiemiddelen nodig. Hiermee en met de voor verkoop beschikbaar komende producten komt het begrip eigendom in het systeem. Eigendom kan worden onderscheiden in particulier eigendom en gemeenschappelijk eigendom (staatseigendom). Om eigendom verhandelbaar te maken wordt de waarde ervan ook uitgedrukt in geld. Het prijskaartje maakt eigendom geschikt als ruilobject in de geldmarkt. Ook eigendom van onroerend goed als grondbezit en huizenbezit is met een prijskaartje verhandelbaar. De waarde kan met verloop van tijd gaan stijgen of dalen. De bezitter van eigendom in de vorm van producten kan deze producten te koop aanbieden of hij kan ze consumeren of opgebruiken, zodat ze uit de roulatie geraken. Het bestuur van de overheid, de regering, bepaalt hoe er met gemeenschappelijk eigendom wordt omgegaan.
Door toevoeging van het begrip arbeid kunnen uit grondstoffen en met productiemiddelen producten worden gegenereerd, die burgers voor het onderhoud of verfraaiing van zijn bestaan voor geld willen aankopen van de bezitter van het eigendom. De burger kan kiezen tussen het verlenen van diensten en het verrichten van arbeid om met het hiervoor te ontvangen salaris toegang te krijgen tot de markt van verhandelbare zaken, maar ook kan hij winst maken met eigendom. Die winst kan worden verkregen door te speculeren op waardestijging van zijn eigendom of door als eigendom productiemiddelen te kiezen. De burger kan als bezitter van eigendom met productiemiddelen zelf producten vervaardigen voor de markt of hij kan salarisverplichtingen op zich nemen tegenover burgers, die door het leveren van arbeid met zijn eigendom producten willen genereren. Voor de overheid is met staatseigendom slechts het laatste mogelijk.
Terwijl het gebruik van geld voor het verhandelen van diensten en producten een begrijpelijke marktwerking mogelijk maakt, is het verhandelbaar zijn van eigendom, of te wel de markt voor eigendom, veel ondoorzichtiger. Of het nu grondbezit, grondstoffenbezit of fabrieksbezit betreft, beslissingen over productieve benutting van dit soort eigendom leveren pas op termijn winst of verlies op, waarbij de burgers, die de factor arbeid verzorgen, hier mede afhankelijk van zijn gemaakt. Inzicht in de behoeften van de maatschappij en in de technische mogelijkheden van het soort eigendom bepalen de uitkomst. De overheid zou zich moeten beperken tot het geven van opdrachten voor het genereren van producten, die als openbare diensten of als gemeenschappelijk eigendom door de burgers wenselijk worden geacht. Ervaringen met landen, waarin het staatsapparaat zelf de productie van goederen voor de markt regelt, laten overduidelijk zien dat de kwaliteit van de beslissingen daar ver achter ligt bij wat er in landen met particuliere bedrijven wordt bereikt, die zijn onderworpen aan de concurrentie in de markt. Hierbij is het niet zozeer de verhandelbaarheid van hele bedrijven, waarbij de concurrentie zijn zelfreinigende werking laat gelden, maar de productconcurrentie van bedrijven onderling. Zo een verlieslijdend bedrijf al wordt opgekocht, is het niet om zijn productiecapaciteit ongewijzigd intact te laten, maar om het te laten verdwijnen. En hoe verder de leiding van een bedrijf af staat van de eigenlijke productie, des te groter is het risico dat er beslissingen worden genomen op basis van de actuele financiële waardering van het bedrijf door buitenstaanders, en niet gemotiveerd door een deskundig technisch oordeel en door een visie op de productontwikkeling voor de toekomst.
Vastgesteld moet worden dat ook in een liberale democratie de overheid van een humanitaire staat verantwoordelijk is voor de stabiliteit van het systeem van uitwisseling van goederen en diensten door de burgers, waarbij particulier eigendom essentieel is voor een zorgvuldig beheer van roerend en onroerend goed. Een geldmarkt lijkt hierbij onmisbaar. Aan deze geldmarkt was vroeger met de goudstandaard een ogenschijnlijk stevig fundament gegeven, maar goud in de kluis had natuurlijk slechts een symbolische en geen economische betekenis. Voor het beleggen van spaargelden en met kredietverstrekking kunnen banken echter een zeer constructieve rol spelen. Gebleken is echter ook dat met handel op de secundaire geldmarkt (de markt voor tweede hands geldpapieren) de banken aantrekkelijke winsten kunnen opstrijken, profijtelijk voor de beleggers. Toch lijkt dit in het licht van de huidige crisis een te groot risico van instabiliteit met zich mee te brengen bij verlies van vertrouwen. Geldhandel op de secundaire geldmarkt zou zich moeten beperken tot handel in waardepapieren met een zeer gering risico, terwijl bij de verstrekking van bankkredieten voldaan zou moeten zijn aan realistische verwachtingen ten aanzien van de kredietwaardigheid van de aanvrager. Het is onaanvaardbaar dat banken door fractioneel bankieren in de positie kunnen komen, dat hun reserves (lees het in depot aanwezige geld van cliënten vermeerderd met het eigen vermogen) onvoldoende dreigen te worden in verhouding tot hun verplichtingen en dat zij een beroep gaan doen op de overheid om bij te springen met geld van de belastingbetalers. De verplichte reserves moeten voldoende groot zijn om dit uit te sluiten, hetgeen het eenvoudigst bereikt kan worden als de banken de volledige verantwoordelijkheid voor een eventueel faillissement behouden. Hierbij is een streng door de overheid georganiseerd toezicht onontbeerlijk. Niet voor niets bestaat er overheidstoezicht op de handel in andere onmisbare zaken, zoals voedsel en medische zorg, en is het luchtverkeer veilig geworden door internationaal afgedwongen veiligheidsvoorschriften. Het financiële toezicht zou bij voorkeur moeten worden uitgeoefend door de centrale bank, die voldoende continuïteit van beleid kan verzekeren en weerstand zal kunnen bieden aan politieke dagdromers, die met ‘sociale maatregelen’ de harde geldmarkt zouden willen manipuleren. Onze ECB is echter in een zwakke positie, daar de monetaire eenheid er een is van een groot aantal landen met een onvoorspelbaar politiek gedrag. Misschien minder gevaarlijk dan een WRB, waarvoor Rothbard heeft gewaarschuwd, kan ook de ECB al tot zeer ongewenste inflatie leiden door het ontbreken van een stabiele standaard voor de monetaire eenheid, de euro.
De Burger-Koning is echter van mening, dat de Centrale Overheid de geldschepping en kredietverlening aan het bedrijfsleven in handen moet nemen. Minister van Financiën Wouter Bos had die 200 miljard euro niet als garantie/steunfonds aan de falende banken, maar aan het bedrijfsleven ter beschikking moeten stellen. De centrale overheid kan dezelve garanderen met haar aan de burgerij ontrokken eigendommen en met de wetgeving op de inkomsten- en vennootschapsbelasting.
Het is even goed zich te realiseren, dat de overheid die 200 miljard euro uit de lucht creëert, ten laste van de burger, namelijk definitief als door deze injectie toch de economische activiteit niet wordt vlotgetrokken en dus op kosten van de toekomstige belastingbetaler het aldus ten laste van de Staatsschuld verdampte geld moet worden verhaald, maar ook al op korte termijn is de burger de sigaar, omdat de hogere rente, waartegen de banken bij de overheid moeten lenen, hetzij via de centrale bank of via staatsobligaties, onverkort doorberekenen aan hun klanten, op bedrijfskredieten en op hypotheekpercentages.
Lucht wordt belast.
In een overgangsfase moet de Centrale Europese en/of Nederlandse Bank niet alleen de rente verlagen, waartegen banken bij haar kunnen lenen, maar ook de rente verlagen, waartegen de banken geld bij de Centrale Bank kunnen parkeren. Nu wordt zodoende door de banken nog geld verdiend aan de 200 miljard euro bedragende geldinjectie in het financiële system, terwijl deze hun doel, namelijk om de interbancaire leningen en bijgevolg de kredietverlening aan het bedrijfsleven vlot te trekken, voorbijschieten..
Provincies en gemeenten moeten in beginsel helemaal geen eigendommen aanhouden, die blijkbaar zijn gefinancierd met teveel geheven belastingen. Eigendommen zijn van de burgerij, die deze met inzet van intellect, arbeid en vergaarde kapitaalgoederen heeft verworven. Men kan hooguit enige openbare nutsvoorzieningen aan de markt ontrekken, maar daarvan dienen de aandelen dan wel in handen van die overheden te blijven voor risicoloos management en niet in de eerste plaats voor winstmaximalisering.
Deze noeste burgerij wordt dus in gelijke mate door zowel de overheden als het bankwezen beroofd. De Burger-Koning is van mening, dat de lagere overheden eerst maar eens hun gezamenlijke eigendommen door hem op waarde geschat van ongeveer 60 miljard euro, moeten verkopen, alsvorens weer belastingen op de burger te verhalen. Op bestuurders van de lagere overheden, die onder het mom van ‘creatief financieren’ belastingcenten riskant hebben belegd of geparkeerd op buitenlands rekeningen, moeten de teloorgegane gelden persoonlijk worden verhaald, subsidiair op het hele College B & W.
Ook de Centrale Overheid houdt veel te veel van de productieve burgerij genaaste eigendommen aan, zeker tegen een door Burger-Koning geschat bedrag van enige honderden miljarden euros.
Tenslotte nog enige opmerkingen:
De Rabobank is in 1970 ontstaan door een fusie van Boerenleen- en Raiffeisenbanken. In 1982 had de Rabobank al het grootste kantorennet en 6.720.000 spaarrekeningen, 1.925.000 rekeningen-courant, 830.000 leden en 1079 aangesloten banken, bij elkaar goed voor 3155 vestigingen. Het is een coöperatieve vereniging en formeel zonder winstbejag! Het idee kwam van Friedrich Wilhelm Raiffeisen, burgemeester van het Duitse Weyerbusch, die boeren onderling renteloos liet lenen. De veeboeren verdienden in de winter, de akkerbouwers in de zomer. De fusie was ook wel iets oecomenisch, want de boerenleenbanken waren katholiek en de Raiffeisen-banken protestant. De Rabobank is in 1970 ontstaan door een fusie van Boerenleen- en Raiffeisenbanken. In 1982 had de Rabobank al het grootste kantorennet en 6.720.000 spaarrekeningen, 1.925.000 rekeningen-courant, 830.000 leden en 1079 aangesloten banken, bij elkaar goed voor 3155 vestigingen. Het is een coöperatieve vereniging en formeel zonder winstbejag! Het idee kwam van Friedrich Wilhelm Raiffeisen, burgemeester van het Duitse Weyerbusch, die boeren onderling renteloos liet lenen. De veeboeren verdienden in de winter, de akkerbouwers in de zomer. De fusie was ook wel iets oecomenisch, want de boerenleenbanken waren katholiek en de Raiffeisen-banken protestant.
Voor ons onderwerp is het van belang te bedenken, dat de overheidsinjecties in het bankwezen niet leiden tot het uitlenen van goedkopere leningen door de banken.
Deze gebruiken thans de geldinjecties vanwege de overheid niet voor het slijten van goedkopere leningen (wie wil er nou lenen ten tijde van recessie die de prijzen doet dalen), maar ter consolidatie van hun reserves en bankfusies. Er is namelijk tussen banken geen enkel vertrouwen doordat de risico’s van derivaten niet (kunnen) worden gecontroleerd en dus is de inter-bancaire lening tot stilstand gekomen.
De Rabo-bank is dus als alle andere banken in Nederland, van hetzelfde laken- en pak als de Ijslandse banken. Ook zij kunnen omvallen, hun rest alleen uitstel door het vertrouwen van de nijvere burgers die hun spaargeld laten staan. Het is echter geraden deze elders zeker te stellen en af te halen, zodat U nog de crisis met een volle maag kunt doorkomen. Minister Bos' aanvankelijke garantie dat de spaarcenten voor 100.000,00 euro zouden worden gegarandeerd door de staat is alweer door hem ingeslikt, de spaarders moeten zelf maar enige procenten van hun rente inleveren om onderling een potje tegen een bankfaillissement te vormen!
Het is goed hier nog eens duidelijk uiteen te zetten wat de Rabo-bank voor streken uithaalde:
Ook moet worden bedacht, dat de Nederlandse Gemeenten heel wat moeilijker aan kredieten kunnen komen dan het rijk. Recentelijk werd publiekelijk, dat lagere overheden derhalve ook hun heil hebben gezocht op de beurs en in het buitenland, maar in de onderhavige periode blijkt de gemeente geld te verdienen door grondpolitiek en spelen op de onroerend goed markt. Dit kan zij doen met dubbele pet op: als publiekrechtelijk orgaan met monopolistische kenmerken en als medespeler op de markt. De Gemeente wordt evenwel bestuurd door politici met bindingen in de maatschappij. In de onderhavige periode bestond er een sterke binding met politiek geëngageerde jongeren, welk zeer lucratief inzetbaar bleken en aan de Gemeente konden worden gebonden d.m.v. uitkeringen en subsidies. Volgens Bart Tromp in ‘Wetenschap van de Politiek’ en onderzoeker van Noort in ‘De Effecten van de Krakersbeweging op de besluitvorming van gemeentelijke overheden’ was de kraakbeweging in Dordrecht het meest gematigd, uitsluitend gericht op het kraken van woningen van de Burger-Koning en zonder anarchistische theorie. Daardoor verloor deze niet de sympathie van de bevolking en was het meest succesvol in het land. Men handelde waarschijnlijk meer uit relatieve deprivatie, daarmee wordt bedoeld een groot beleefd verschil tussen wat men heeft en wat wordt beloofd.
De overheid beloofde in die tijd een zelfstandig woonrecht aan alle achttien jarigen. De rechterlijke macht verbood het kraken niet en men kon aanleunen tegen parallelle subversieve politieke structuren zoals de vredesbeweging en als uitvalsbasis het Jongeren Advies Centrum (JAC). Dit wordt gesteld door de theorie van de politieke procesbenadering door om Duyvendak in ‘Tussen Verbeelding en Macht’1992. Wel waren er ook voldoende machtsmiddelen en deskundigheid in pressie-uitoefenen aanwezig, waardoor de Gemeente, hoewel nooit toegegeven, bezweek voor (dreiging met) geweld en tot concessies bereid was. Later zullen de krakers zelf via de Gemeenteraad en zelfs als wethouder het paard van Troje binnen halen. Kraken wordt alsdan in retrospect gehuldigd als altruïstische maatschappelijke betrokkenheid en wel zo succesvol dat pas in 2008 de eerste kraakverbodwetgeving tot stand komt.
Een vuig samenspel in een Kafka-achtig sluitend web.
Hierboven hebben we kennisgemaakt met de belangrijkste sociale actoren in navolgend drama.
Op plaatselijk niveau zijn dit het gemeentebestuur, de civiele en de administratieve rechter, de RABO-bank, de Burger-Koning opererend op de woningmarkt, de woninghuurmarkt en de krakersbeweging.
Het drama speelt zich af in de jaren 1975 t/m 1985 te Dordrecht. Het algemeen politieke klimaat wordt beheerst door een aanvankelijk optimisme door de naoorlogs opbouw, maar wel wat getemperd door de eerste oliecrisis van 1974. Er is ook een groot generatieconflict, want de oorlogsgeneratie geniet van zijn welvaart en de jeugd ziet op televisie de (toen nog niet gecensureerde) Vietnam-oorlog. Hoezo vrede en bevrijdende Amerikanen? Bovendien is de woningnood kunstmatig veel langer in stand gehouden dan in de omringende landen.
De jeugd emancipeert, werpt kerk en ouderlijk gebod van zich af, demonstreert tegen oorlog en economische onderdrukking. Dit krijgt plaatselijk zijn weerslag in de vredesbeweging in de kerken en ook de gemeente en de woningbouwverenigingen worden bekritiseerd niets voor de aanstormende jeugd ,die het als onderdrukking ervaren ouderlijke gezag thuis wil ontvluchten, te doen. Dan komt uiteindelijk de regering met de garantie aan iedere jongere boven de 18 jaar van het onvervreemdbaar recht op een zelfstandige woonruimte. Staatssecretaris Marcel van Dam maakt alsdan geld vrij voor de inrichting van wat van Dam-units, maar het schiet niet op, de woningnood blijft.
Daarop reageren twee tegen elkaar indruisende krachten: Enerzijds de burger-koning die woningen al dan niet in slechte staat aankoopt en geschikt wil maken voor verhuur binnen wat hij denkt een liberale markteconomie en anderzijds een door een roofzuchtige overheid opgehitste collectivistisch denkende jeugd, die zich een fundamenteel woonrecht onthouden acht doordat er geen sprake is van evenwichtige marktverhoudingen: Het begrip ‘huisjesmelker’is gauw opgeplakt op de Burger-Koning, die evenwel het beste hurenbestand bezat.
Het eerste adressaat van het jong verzet is echter de overheid. Dit heeft een ideologische reden, want de tijdgeest ziet de overheid als welvaarstaat en dus zorgplichtig. Elders in het land boekt de vredesbeweging annex kraakbeweging succes met burgerlijke ongehoorzaamheid en gewelddadiger acties en dat heeft zijn uitstraling in Dordrecht:
Het Gemeentebestuur, inmiddels partijpolitiek nader tot voornoemde bewegingen gekomen, bezwijkt ook deels voor geuite bedreigingen, zet de krakersleiding op de gemeentelijke loonlijst en er wordt zelfs een adressenbestand van onwillige politici met de oproep actie te ondernemen gepubliceerd in een krakersblad.
Uit de infobanken van de krakers blijkt, dat een aanzienlijk deel van het woningbestand dat geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de doelgroep in particuliere handen is geconcentreerd van de Burger-Koning. De Gemeente besluit tot de aanval over te gaan en te proberen dit woningbestand in handen te krijgen ten behoeve van de woningzoekenden. Zij doet zich alras voor als voorvechter van de dakloze jeugd, verdoezelt daarbij haar eigen verzuim van woningbouw en leidt de woede af op de vermeende ‘huisjesmelker’. Maar uiteindelijk is het huizenbestand van de Burger-Koning niet aan de woningzoekenden tebeurt gevallen, maar aan wooncorporaties zoals ‘’ De Woonbron’, U weetwel, die in Rotterdam van gekkigheid niet meer weet wat ze met hun geld moeten doen en dus maar een cruiseschip hebben gekocht om ermee ‘Katendrecht’ op te vrolijken.
De gemeente doet onderzoek en gaat netwerken. Het blijkt dat hetzelfde probleem zich afspeelt in de grote steden en die hebben het bedje gespreid: Er is landelijk partijberaad en zo wordt afgesproken, dat de rechter het ‘kraken’niet zal verbieden. Ook worden de huisbanken van de overheden onder druk gezet het spel mee te spelen. Het gemeentebestuur van Dordrecht heeft inmiddels zijn huiswerk gedaan.
De Burger-Koning opereert op de woningmarkt door woningen veelal tegen de marktprijs aan te kopen als belegging: Huren brengen meer rendement dan spaargeld op de bank. Doordat de Nederlandse overheid de woningnood jarenlang kunstmatig in stand hield, bleek ook de marktwaarde van die woningen te stijgen. Er moet echter veel in onderhoud en modernisering geïnvesteerd en het duurt enige jaren voordat daaruit rendement voortkomt. Dit wordt voorgefinancierd door verkopen van additionele woningen.
De RABO-bank, inmiddels goed op de hoogte van de positie van de burger-koning boekte de verkregen opbrengsten uit de verkoop van de onderzette additonele woningen uit de periode 1977 t/m 1979 niet af op de verleende leningen, maar parkeerde deze opbrengsten op een aparte rekening-courant en liet boetes op het niet op tijd afbetalen van hypotheken doorlopen. Bankhypotheken, dat wil zeggen, dat de bank beweerde voor de onderzette panden leningen te hebben verstrekt, terwijl de burger-koning alleen deze panden had onderzet ter meerdere garantie van zijn eerdere leningen. Mondelinge afspraken daartoe met haar directeur werden ontkend met een verwijzing naar de bankwet, die de administratie van de bank als preferentiëel bewijsmiddel stipuleert.
Inmiddels wordt de gemeente actief en wel als activist. Het steunt de krakersbeweging door die activisten zonder enige economische tegenprestatie een uitkering te verstrekken en de driehoek burgemeester-hoofdcommissaris van politie en Officier van Justitie besluiten bij krakersacties de andere kant op te kijken. Zo wordt oogluikend het ontstaan van een gesubsidiëerd ‘autonomen’legertje toegestaan, waarmee de gemeente de aanval inzet op de burger-koning: Leegstaande huizen van hem , die moeten worden opgeknapt, worden gekraakt onder het motto ‘leegstand is diefstal’ en hoewel de krakersbeweging schreeuwde ‘uw rechtsorde is de onze niet’zoals gezegd er wordt niet vervolgd en niet berecht. Enige panden worden in brand gestoken, vernield of in ieder geval totaal uitgewoond.
De Burger-Koning wordt later zelf gemeenteraadslid maar krijgt geen toegang tot gearchiveerde gemeentelijke correspondentie van de gemeente met o.a. de RABO-bank. Uit die correspondentie blijkt alsdan , dat de gemeente de bank aanspoort om bij de inmiddels insolvabel geachte ‘huisjesmelker’ te informeren, of hij aan de gemeente niet een deel van zijn inmiddels door de krakers vernielde of uitgewoond huizenbestand wil verkopen. De gemeentelijke prijsstelling is wel inmiddels gezakt naar nog geen derde van de aankoopprijs! Heel vals is daarbij de handelwijze van een notaris uit Kruiningen. De Burger-Koning vroeg voor het appartmentencomplex De Rozenhof HFL 1.600.000 en de Gemeente bood HFL 450.000 en vroeg de RABOP-bank te Kruiningen te bemiddelen in de verkoop van de Rozenhof.. De Rabo-bank legde echter bij de notaris een stuk voor, waarblijkens met de verkoop van panden, waarop de hypotheken waren afgelost, accoord werd gegaan. Maar de notaris liet de Burger-Koning tekenen op een eindblad, waaraan voorafgaand later een overeenkomst werd gehecht, waarblijkens hij de Rabobank toestond deze en andere panden aan de gemeente te verkopen tegen executieprijzen.
Inmiddels liet de Gemeente het kraken weer lustig toe!
We geven nu eens wat concretere voorbeelden van voormelde manipulaties. Omtrent 1980 vorderde de gemeente een vrijgekomen woning van de burger-koning t.b.v. een 18 jarige Marokkaan met zijn gezin van zei hij vrouw met zes kinderen. Verificatie was niet gedaan en gold als racisme. Het woningbestand van de gemeente zelf was beweerdelijk te duur voor dit gezin. Maar alle kritiek vanwege huiseigenaren werd onder druk van de kraakbeweging afgedaan als ‘eigendom is diefstal’. De gemeente vorderde namens de kraakbeweging en die zette voorop de urgentielijst junkies. In het complex ‘Rozenhof’ moesten, ironie van het lot, overige krakers het veld ruimen voor de opkomende drugshandel. De gemeente vond dit een goed idee, zo’n spuitruimte: Zo was de drugsgebruiker van de straat. Maar toen junkies twee illegaal bezette woningen in brand lieten opgaan, had de gemeente opeens geen belangstelling om deze te vorderen.
Het door de gemeente gesubsidiëerde jongerenadviescentrum J.A.C. op.cit. werd veelal ingezet als ‘mobilisatiemiddel ‘om haat te zaaien onder de bevolking tegen de huiseigenaren door hen te stigmatiseren als ‘huisjesmelkers’ en van enige rechtsbescherming voor de eigendommen of zelfs de eigenaren is geen sprake meer. Vermeende lessen uit de maoïstische Culturele Revolutie zijn getrokken. Dat er niets mis is met aankoop en opknappen van slechte woningen ontgaat deze krakersgeneratie die gewend is alles te krijgen gratis en voor niets.In een latere fase waren de krakers zelf raadslid of zelfs wethouder van volkshuisvesting en zodoende werd het gemeentebestuur zelf een bolwerk van collectivistisch activisme, maar nu met de zweep van het publieke recht in de hand, of het buitenwerking stellen ervan.:
Zo heeft de politie in weerwil van een ontruimingsgebod door de rechtbank in 1980 geweigerd bescherming te bieden bij de ontruiming van junkies en krakers uit een appartementencomplex, ‘Rozenhof, waardoor aanvankelijk de rechtmatige bewoners hun gehuurde moesten ontvluchtten. Het complex was totaal verwoesten de burger-koning kon opdraaien voor de renovatiekosten ad HFL 485.000. Aangevraagde splitsingsvergunning voor het complex, nodig voor de financiering van de renovatie, werd lang geobstruëerd door de gemeente en uiteindelijk voor 6 woningen toegestaan en …….prompt werden zes woningen na splitsing wederom gekraakt!. Uiteindelijk werden na de renovatie weer alle appartementen door de gemeente gevorderd voor de krakers. De wethouder van woningzaken begaf zich wederrechtelijk in de voortuin van het complex om ten aanhoren van de samengestroomde krakers, pers, gemeentelijke autoriteiten en publiek dit staaltje van publieke roof per megafoon kond te doen. Aangifte door de burger-koning van strafbare feiten werden door de Officier van Justitie genegeerd.
De buitenwettelijke actievoerders maakten bij de gemeente bezwaar tegen elke vorm van betaling aan de eigenaren. Uit de verrekening van de opknapkosten met de af te dragen gebruiksvergoedingen blijkt dat i.t.t. wat de gemeente beweerde de exploitatie van de woningen minder winstgevend was dan beweerd. De RABO-bank als vermeende hypotheekverlener heeft ten gevolge van het wederrechtelijke gemeentelijke verrekeningsbeleid de panden zoals boven al gezegd voor maar een achtste deel van de markt waarde verkocht aan……….de gemeente!
Het Offensief van de Rechterlijke Macht tegen de Burger- Koning
Dan komen de rechters in actie. De processen zullen meer dan 25 jaar duren. De procesgang van de burger-koning tegen de RABO-bank stuitte vooralsnog bij het Hof af op de bankwet die bepaalt, dat de bankadministratie uitgangspunt vormt voor de procesgang.
De door de rechter aan de burger-koning voorgestelde onafhankelijke deskundige accountant en ook later door hemzelf ingeroepen deskundigen bleken namelijk bij uitsluiting uit te gaan van de door de bankadministratie. Terzijde wordt hier vermeld, dat de Burger-Koning maar één keer en wel pas bij de hoogste rechter gelijk kreeg met de stelling, dat geen onroerend belasting is verschuldigd over gekraakte panden. Aardig toch van de rechter. Maar over de vorderingen door de gemeente van ‘onbewoonbaar verklaarde’panden, het kraken zelf en de samenspanning van de gemeente met de bank werd nooit geoordeeld.
Niet dat Hoge Raad zo moedig was om over de strijd van de Burger-Koning tegen de gemeente ad fundum te beslissen, zelfs niet in zake de door de gemeente aan de Burger-Koning op grond van de Woningwet verschuldigde ‘gebruiksvergoedingen’ voor de gekraakte en gevorderde panden. De gemeente betaalde daarvan slechts HFL 3787 guldens, dus op het totale miljoenenbezit, want ze trok even zo vrolijk wederrechtelijk daarvan de kosten af, die waren gemoeid met het herstel van de panden die door die krakers nu juist moedwillig waren vernield en uitgewoond ! Nee, de hoogste rechter vluchtte in een hocus pocus van procesrechtelijke argumenten, zoals verjaring, hoewel de Burger-Koning wel honderd brieven ter stuiting heeft geschreven..Daarbij kwam nog de valse tactiek, om de Burger-Koning eerst door de gemeente op het verkeerde spoor van de administratieve rechter te zetten, die hem dan uiteindelijk wel doorverwees naar de burgerlijke rechter, maar alsdan gold de zaak als verjaard! En wel met het argument, dat had hij de zaak een dag eerder aangebracht, hij wel ontvankelijk zou zijn verklaard, omdat dan de nieuwe wetgeving zou hebben gegolden, waarvolgens stuiting van verjaring met een eenvoudige aangetekende brief voldoende was gewaarborgd in plaats van een door de oude wet voorgeschreven noteriële acte! Waarvan acte!
Het offensief van de Rechterlijke Macht tegen de burger-koning blijkt een roemrucht samenspel van de burgerlijke rechter: De Kantonrechter, de Rechtbank , het Hof en de Hoge Raad en tevens de administratieve rechter voor zover die in Nederland maar gestalte kreeg in de vorm van een bezwaar- en beroepsschriftenprocedure bij de lagere overheden, in casu de Gemeente Dordrecht en de weg via de President van de Haagsche Rechtbank naar de Raad van State. In dit verhaal komt de strafrechter niet voor, omdat hem door het Openbaar Ministerie niet of onvoldoende de vraag werd voorgelegd, of ‘kraken’, d.w.z. diefstal van onroerend goed wel strafbaar is. Pas in 2008 zal de overhead wetsvoorstellen indienen tot strafbaarstelling van ‘kraken’.
De Gemeente Dordrecht heeft in de jaren tachtig 30 woningen van de burger-koning op grond van de toenmalige Woonruimtewet 1947 gevorderd beweerdelijk ten behoeve van urgent woningzoekenden.
De Gemeente vorderde ‘enclave-gewijze’ en spande samen met de Rabo-bank om zo tot executoriale verkoop van de panden te komen, hoewel al zes jaren ervoorde leningen onder hypothecair verband waren afgelost. Veelal werden de panden helemaal niet daadwerkelijk bewoond door urgent woningzoekenden. Zo werd gevorderd voor een Marokkaan die zijn gezin uit Marokko nog moest laten overkomen.
Volgens voornoemde wet moet de Gemeente alsdan een gebruiksvergoeding aan de eigenaar betalen. Maar de Gemeente betaalde deze niet, omdat zij ervan de kosten aftrok voor herstel van de schade die door in een door de Gemeente gecoöordineerde actie van Jongeren Advies Centrum met enige ‘krakersorganisaties’ en andere vandalen waren aangericht, welke niet dan met mede door diezelfde Gemeente vertraagde ontruimingsprocedures konden worden verwijderd. Zelfs de Politie verleende ook geen medewerking aan deze door de Rechtbank gelaste ontruimingen.
Deze verrekening van herstelkosten met de gebruiksvergoedingen gebeurde volgens de bestuursrechter volkomen wederrechtelijk. Maar het valse was, dat de Gemeente Dordrecht als beroepsinstantie in indruk wekte, dat het hier om een administratiefrechtelijk besluit ging en dus ging Koning naar de administratieve rechter en niet naar de burgerlijke rechter. Toen hij dan eindelijk daar aankwam bedacht die burgerlijke rechter een vuile rotstreek: Zowel de Rechtbank als het Hof hebben de claim van Koning op de gebruiksvergoedingen afgewezen op grond van…..verjaring! Dit was een schofterige truc, die als volgt werd toegepast:
De volgens het oude Burgelijke Wetboek oorspronkelijke dertigjarige verjaring was per 1 januari 1992, de datum van inwerkingtreding van het Nieuwe Burgerlijke Wetboek omgezet in een vijfjarige verjaringstermijn. Konings vordering per 1 januari 1993 van een per 29 juli 1986 betaalbaar gestelde vordering geldt derhalve als verjaard. Maar het vuiltje zit ‘m in de verjaringswetgeving. De verjaringswet van 1924, waarvolgens net zoals volgens het nieuwe Burgerlijke Wetboek (art.3.317 lid 1) een verjaring kon worden gestuit door bijvoorbeeld een aangetekende brief, werd juist op 1 januari 1992 ingetrokken. Het nieuwe Burgerlijke Wetboek kende een overgangsregeling (art.73), waarvolgens de werking 1 jaar werd uitgesteld, dus tot en met 1 januari 1993 en dus zeiden Rechtbank en Hof, dat Koning op die dag net te laat was met zijn vordering.
Volgens het oude Burgerlijke Wetboek had hij namelijk een deurwaarder moeten sturen met een aanmaning of dagvaarding! Nog bonter maken de rechtscolleges het, als zij stellen, dat al de brieven die Koning aan de Gemeente stuurde met claims op ‘schadevergoeding’, zoals hij als leek de vordering op gebruiksvergoedingen noemde, door de Gemeente niet moest worden opgevat als een aanspraak op uitbetaling van de toegekende gebruiksvergoeding.
En de Hoge Raad als hoogste Burgerlijke Rechter ? Daar is de burger-koning al helemaal niet meer geweest, want een cassatiespecialist wees hem erop, dat de Hoge Raad behandelt nooit de vraag of de Rechtbank of het Hof juist heeftbeslist. Wettelijk kan de HR alleen vernietigen wegens verkeerde toepassing van het recht of verzuim van rechtsvormen, bijvoorbeeld als er geen duidelijke motivatie van het vonnis is gegeven. Alle feitelijke beslissingen over bijvoorbeeld getuigeverklaringen, de uitleg van processtukken of overeenkomsten blijven buiten beschouwing. Men kan ook niet met in de vorige procedures niet aan de orde gekomen zaken aankomen. De burger-koning kon hier dus niet meer terecht met zijn klacht, dat de verjaringstermijn op een dag na niet werd erkend en dat door louter deze procesrechtelijk truc hij zijn eigendommen verloor.
Het gevecht met de RABO-bank bij de burgerlijke rechter is hierboven reeds summier beschreven en is vooralsnog procesrechtelijk gestuit op de Algemene Bankvoorwaarden, die zeer tot schade van de klant de bewijslast van onvolkomenheden, zeg maar smerige trucs , in de administratie van de bank volledig legt bij de klant en nog wel een korte periode waarbinnen die bewijzen moeten worden overlegd voorschrijft.
Samenvatting
Vierhonderdvijftig jaar na het eerste Dordtse verzet tegen de centrale macht tekent zich een moordend vangnet af, waaruit de burgerlijke vrijheden volkomen worden verstikt. De nog onder invloed van de Franse revolutie versterkte rechtsbescherming van de mercantiele burger, van zijn eigendommen, van zijn strafrechtelijke en procesrechtelijke bescherming is nagenoeg niets overgebleven. Wie herinnert zich nog het stoere artikel 6 van de Algemene Beginselen van de Staatsregeling voor het Bataafse Volk uit 1789, waarvolgens:’ Het oogmerk van een maatschappelijke vereniging is beveiliging van persoon, leven, eer en goederen, en beschaving van verstand en zeden’? Wie had ooit gedacht, dat de overheid door manipulatie je in weerwil van art. 34 van die staatsregeling kan ‘aftrekken van de regter’ door schielijk en stiekem een steeds ingewikkelder procesrecht te stipuleren, of in weerwil van art. 40 van die eerstestaatregeling zo vuigelijk kan handelen, dat onteigening plaatsgrijpt zonder kennelijke ‘openbare noodzakelijkheid’ en zonder ‘eene billijke schaëvergoeding? Dit is zeer relevant, want de hoogste rechter beweerde, dat toen de burger-koning sprak van zijn recht op ‘schadevergoeding’, de gemeente niet kon weten, dat hij daarmede een verrekening met zijn recht op ‘gebruiksvergoedingen’ bedoelde!!!
Ooit gedacht dat de door de overheid benadeelde burger in weerwil van die staatsregeling art. 42 nergens meer zijn beklag kan doen dan bij een ombudsman die werkelijk nooit een individuele klacht honoreert? Dat rechtspraak niet alleen meer door rechters wordt gesproken, maar door halfbakken administratiefrechtelijke colleges en raden van beroep ? Dat hier te lande thans functionerende rechters en advocaten wel weten te boekhouderen, maar wegens het op non-actief stellen van bekwame zelfstandig en traditioneel gevormde rechters en het huidige benoemingenbeleid merendeels door hun summiere opleiding gespeend zijn van enige kennis van eeuwenoude (Romeins)rechtelijke beginselen ? Dat helemaal nooit een politicus of bankdirecteur voor de rechter kan worden gesleept?
Dat het benoemingenbeleid t.a.v. de rechterlijke macht kennelijk deze hele als van de uitvoerende en wetgevende macht onafhankelijk gedachte deel van de overheid volkomen is gelijkgeschakeld aan het belang van de heersende klasse ?
We hebben gezien, dat de heersende klasse het bankwezen centraal en onaantastbaar in de maatschappij heeft geplaatst en dat de rechterlijke macht deze afschermt. Het bankwezen heeft elke economische activiteit, elke ondernemer in zijn macht. Het hele bankwezen is via het geld-schuldsysteem geschapen de vruchten van alle inspanningen van anderen te plukken en de overheid levert de plukmachine. Het gaf de jeugd, waar zij bang voor is, wat protestfruit en speelgoed om het te verblinden, zodat het de massale roofbouw op de maatschappij niet zag.
Het speelt Vrouwe Justitia, maar verraadt elk bevochten en constitutioneel vastgelegd rechtsbeginsel. De rechter versluiert elk materieel recht door het te omwikkelen met een procesrechtelijk hocus pocus pilatus pats.
En hoe is het met het ‘noodzakelijk openbaarbelang ‘ der woningzoekenden gegaan?
Opgehangen zijn zij aan onbetaalbare hypotheken, onbetaalbare huren in de vrije sector, afhankelijk van schamele en rechtsonzekere huursubsidies, speelbal van de gemeentelijke plannen die onder een hoedje spelen met projectontwikkelaars en woningcorporaties, die hun oorspronkelijke doel, het bouwen van goedkope woningen zijn vergeten, met uitzondering dan van het onder dak brengen van hele nieuwe volksstammen via het etnisch positief discriminatoire etnische voorrangsbeleid. Dat al dertig jaar lang. Daartegen heeft de burger-koning zich ook als locaal politicus kranig verzet. Als lid van de gemeenteraad.
En hoe is het met de zielige drugsgebruikers afgelopen? De burger-koning heeft om niet zijn eigendommen ter beschikking gesteld aan de Stichting de Hoop. Deze zou met Gods wil en met de contributie der gelovigen zorgen voor hun opvang. Maar het is verworden tot een grote investeringsmaatschappij, die een heel dorp van woningen en utilitaire gebouwen heeft neergezet, met subsidiegeld, met geld der goedgelovigen, maar hoe is het met het ‘afkicken’gegaan ? Welke resultaten zijn bereikt? De huidige jeugd is merendeels party-pil-slikker en comazuiper. De overheid hoeft hen niet meer te vrezen, ze zijn uitgeloogd door drugs en versuft door het slechte en maatschappij-onkritische onderwijs. Dat wil de burger-koning nog wel toegeven: de vredesbeweging en de krakersbeweging hadden in ieder geval nog idealen, hebben in ieder geval nog geprobeerd zelfstandig te denken en de wereld te verbeteren en waren niet geheel weggezonken in puur materialisme.
Het Oerverlangen naar een paradijslijk Leven in geïsoleerde Meuten zonder 'Lynchwetten'.
Wel kan men even stilstaan bij dit aloude anthropologische verschijnsel van de ‘klagende meute’. De mensen die tot een meute behoren kennen elkaar goed en hebben een gemeenschappelijk een steeds herhalend doel, eigen aan alle menselijke levensfuncties. Bepaaldheid en herhaling leiden tot producten van een griezelig soort bestendigheid. Het feit, datmen ze altijd beschikbaar heeft, maakt ze inzetbaar in complexere beschavingen als een soort massakristallen, die massa’s aantrekken als men die voor een bepaald politiek doel nodig heeft. De meute is een archaïsch verlangen naar eenvoudig natuurlijk bestaan, naar een verlossing uit de groeiende verplichtingen en bindingen van onze tijd, een verlangen naar leven in geïsoleerde meuten: Vossenjachtpartijen, oceaanzeiltochten, kloostergemeenschappen, expedities, rechterlijke raadskamers en kraakpandleven. Eerder in de geschiedenis hebben we gezien hoe gemakkelijk een dergelijke meute zich uit in lynchgerechten als ontkenning van(proces)recht. Het slachtoffer is (proces)rechteloos, jalousie op de hardloper wakkert de roep om vossenjacht aan. Ze zijn niet in staat om het slachtoffer daadwerkelijk te verslinden en dat maakt de jacht des te langzamer en gruwelijker. Men geeft de voorkeur aan een langzame uitputting van het slachtoffer. De kraakbeweging, de rechterlijke macht is als zodanig het instrument, de ingezette jachthond gebleken van een zich met de naam socialisme tooiende kaste om onder het mom van ‘publiek belang’ private eigendom te stelen.
Hoe anders was het rechtvaardigheidsgevoel van Willem, de Graaf van Henegouwen, die in 1336 de Baljuw van Zuid-Holland, die van een landman een goede koe had gestolen en een slechtere ervoor in de plaats had gezet, niet alleen veroordeelde tot de betaling van honderd gouden kronen in goede munten van het juiste gewicht aan die landman, maar na betaling ervan ook nog eens ter dood liet brengen door de beul, zulks als afschrikwekkend voorbeeld voor alle overige bestuurders, in het bizonder de Schout van Dordrecht, een neef van de misdadiger. Toen werd dus onverkort de 'lynchwet' toegepast op de corrupte overheid en niet op de eerbare burger..
Jammer dat deze jachthonden van de regerende kaste, de krakersmeute, de bankiersmeute, het Openbaar Ministerie en de rechtersmeute, de mediameute, alle blind bleven voor de positieve bijdrage van degenen die tegen marginale winst en maximaal risico de renovatie en terbeschikkingstelling van goedkope woningen hebben willen realiseren, daar waar de overheid de woonkosten altijd heeft opgedreven door kunstmatig instandgehouden woningnood bij ontstentenis van voldoende bouwinitiatieven. Mao Zidong zou ze door de jeugd op een mestkar door de steden laten rijden met een puntmuts op het hoofd waarop hun misdaden tegen het volk worden opgesomd.
ADDENDUM:
Een cri de coeur van de Burgerkoning.
De Burgerkoning, die blijkens voorgaand schrijven door een vuig samenspel van Gemeentebestuur (Dordrecht), Bank (Rabo), kraakbeweging en rechterlijke macht is beroofd van zijn gehele vastgoedimperium ter waarde van welhaast een miljoen euro, slaakt hieronder een laatste kreet over het onrecht stadgenoten aangedaan door een over hen walsenende overheid.
Het Gemeentebestuur van Dordrecht wil de huiseigenaren op de Weeskinderdijk (nomen est omen) wegjagen, hun woningen afbreken ter vervanging van een mondain ‘Maasterras’, eupforisme voor de bouw van 1850 juppenwoningen, 160.000 vierkante meter kantorenwijk en 60.000 vierkante meter winkel annex voorzieningengebied, bedacht door de projectontwikkelaar Wout van Alphen.
De ‘ontweesde’ huiseigenaren van deze welgenaamde dijk wordt als kinderen zand in de ogen gestrooid met de belofte te vergoeden op basis van een ‘onafhankelijk’ schatting van de waarde van hun eigendom. Hoewel in deze tijd van economische crisis de financiering van dit ontwikkelingsprojectop losse schroeven is komen staan door thans aarzelende banken, peinst de Gemeente er niet over het belang van de huidige mede door de bankcrisis veelal niet voor nieuwe hypotheken voor vervangende woningen in aanmerking komende bewoners te laten prevaleren boven de onzekere rentabiliteit van in deze crisistijd ondoordachte plannen van een projectontwikkelaar.
Ook wordt de huidige bewoners voorgeschoteld er ‘gratis’ te mogen blijven wonen in hun alsdan aan de Gemeente tegen de door haar vastgestelde prijzen verplicht verkochte woningen te mogen blijven wonen, totdat de spade voor het project in de grond gaat. Dat kan dus al morgen zijn.
Om de gemoederen te sussen en de bewoners vooral nietop het idee te brengen, dat zij pro-actief juridische stappen moeten ondernemen, wordt met voorbijgaan aan ons staats- en administratierecht doodleuk verwezen naar de ‘Ombudsman’, die wel toezicht zal houden op een fatsoenlijke afwikkeling van zaken. Dit alles ontlokt de Burger-Koning de volgende noodkreet:
Deze ‘Ombudsman’ is helemaal geen onafhankelijk boven de partijen staande macht. Hij kan slechts in het weekend vrijuit praten, thuis bij moeder de vrouw, want onder werktijd is hij net zoals iedereen gebonden aan de meer dan 183.000 wetten en regelingen, die het leven en handelen van de burger knevelen. In de Verenigde Staten heerst thans euforie door de Obama-hype bij velen over de doorbreking van de laatste banden met de slavernij, maar onze bevolking laat deze steeds toenemende slavernij gelaten over zich heen komen. Hetwoord ‘Ombudsman’heeft niets te maken met een ‘man met ballen’, maar is afgeleid van het woord ‘mandaat’, opdracht, namelijk door de overheid!!! Door deze buffer, kan de overheid doof blijven voor het geweeklaag van de uitgezogen burgerij, die de valse hoop wordt gegeven, dat aan hun klachten wel gehoor wordt gegeven.
Inmiddels scherpen dagelijks de publieke lichamen met hun ambtenarenleger en raadslobbies de wetgeving en regels aan, vergroten stiekem hun bevoegdheden en vermengen hun publieke en private belangen, allemaal alsdan afgeket door de zogenaamde onafhankelijke rechterlijke macht.
Burger pak uit je winst!
Ik waarschuw de burgers, laat U zich door de overheden die U constant belagen, beroven en benadelen, niet afhouden van Uw grondwettelijke rechten en Uw recht op een door de Grondwet gegarandeerde eigenlijke rechtsgang naar de geeigende rechters, te beginnen met de kantonrechter en de administratieve rechter. Pas dan ook nog op, want deze verwijzen naar elkaar net zolang todatde zaak is verjaard, als u niet oppast.
Aanleiding tot deze waarschuwing is dus die verdrijving van de huiseigenaren op de Weeskinderdijk uit hun huizen door de Gemeente Dordrecht.
Een fatsoenlijke afwikkeling van zaken, zoals ik hieronder voorstel, kunt afdwingen met een juste juridische procedure:
Hoedt U voor slecht weer in klimatologisch, economisch en juridische zin !!
Michiel Koning jr.
Dordrechtenaar